top of page
IMG_0033333.png
Peter Vandebuerie
people-2596890_1920.jpg

Behoren de 66 boeken van de Bijbel tot de juiste canon?

Een historisch en Bijbels onderzoek met Bijbelteksten, primaire bronnen en wetenschappelijke verwijzingen.

Inleiding: wie heeft bepaald welke boeken in de Bijbel horen?


De Bijbel, zoals gebruikt binnen de gemeente van Christus, bestaat uit 66 boeken: 39 boeken van het Oude Testament en 27 boeken van het Nieuwe Testament. Maar hoe weten we dat juist deze boeken bij de Bijbel horen? Waarom behoren het Evangelie van Thomas, de Herder van Hermas en de boeken van Makkabeeën niet allemaal tot dezelfde verzameling?

Om die vraag te beantwoorden, moeten we drie begrippen onderscheiden:

  • Inspiratie: is een geschrift door God ingegeven?

  • Canon: de verzameling geschriften die als gezaghebbende Schrift wordt erkend.

  • Erkenning: het historische proces waarin gelovigen onderzochten welke geschriften tot die verzameling behoorden.

Een belangrijk uitgangspunt is dat mensen Gods Woord niet gezaghebbend hebben gemaakt. Zij moesten herkennen welke geschriften werkelijk van God afkomstig waren. Tegelijk moeten we eerlijk zijn: er bestaat geen bewaard gebleven document waarin de apostelen persoonlijk een lijst van precies 66 boeken hebben opgesteld. De historische verdediging van de canon berust op verschillende soorten bewijs die samen moeten worden onderzocht.

1. Het Oude Testament: waarom 39 boeken?


1.1. Jezus erkende de Joodse Schriften

Jezus verwees naar de Schriften als een bestaande verzameling met gezag. Lukas 24:44 (NBG)

„Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen.”

Jezus noemt de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen. De Psalmen kunnen hier de derde grote groep van de Joodse Schriften vertegenwoordigen: de Geschriften. Een tweede aanwijzing vinden we in Lukas 11:50-51. Jezus spreekt over het bloed van de profeten, vanaf Abel tot Zacharias. Abel wordt genoemd in Genesis 4 en Zacharias in 2 Kronieken 24.


Omdat 2 Kronieken in de traditionele volgorde de Hebreeuwse Bijbel afsluit, zien uitleggers hierin vaak een verwijzing naar de hele Bijbelse geschiedenis. Dit is een betekenisvolle aanwijzing, maar geen sluitend bewijs dat Jezus daarmee een formele lijst van precies 39 boeken heeft vastgesteld.

1.2. Josephus: de Joodse geschriften in de eerste eeuw

De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus schreef rond 93-94 na Christus Tegen Apion, boek 1, §§ 37-43. Hij spreekt over 22 heilige boeken die door de Joden als gezaghebbend werden beschouwd. Dat aantal verschilt van onze 39 boeken doordat bepaalde boeken gezamenlijk werden geteld. Josephus maakt bovendien onderscheid tussen de oudere, gezaghebbende geschriften en latere werken die niet dezelfde status hadden. Historische bron: Flavius Josephus, Against Apion 1.37-43. Posen Library


Dit toont aan dat er in de eerste eeuw een duidelijk afgebakende verzameling Joodse heilige geschriften bestond. We kunnen echter niet bewijzen dat iedere Joodse gemeenschap toen exact dezelfde gesloten canon hanteerde.

1.3. Melito van Sardes

Rond 170 na Christus stelde Melito van Sardes een lijst op van de Joodse Schriften. Zijn lijst komt grotendeels overeen met het protestantse Oude Testament, maar Esther ontbreekt. De lijst is overgeleverd door Eusebius in Kerkgeschiedenis 4.26.12-14.


Deze bron toont dat christenen al in de tweede eeuw actief onderzochten welke boeken tot de Joodse Schriften behoorden. Tegelijk maakt de ontbrekende vermelding van Esther duidelijk dat de historische ontwikkeling niet zonder nuance kan worden beschreven.

1.4. Wat met de apocriefe boeken?

Boeken zoals Tobit, Judith, Wijsheid, Jezus Sirach en 1 en 2 Makkabeeën worden door de katholieke kerk als deuterocanoniek erkend. Ze behoren niet tot de 39 boeken van het protestantse Oude Testament.


De historische achtergrond is complex:

  • De Hebreeuwse Bijbel bevat de boeken die overeenkomen met het protestantse Oude Testament.

  • De Griekse Septuaginta werd in verschillende handschrifttradities overgeleverd, die niet allemaal dezelfde verzameling boeken bevatten.

  • Vroege christelijke schrijvers verschilden van mening over de status van sommige boeken.

Het is daarom onjuist te beweren dat iedere oude Griekse Bijbel precies dezelfde inhoud had.

Athanasius noemt in 367 na Christus in zijn 39e paasbrief boeken zoals Wijsheid, Jezus Sirach, Judith en Tobit als nuttig om te lezen, maar onderscheidt ze van de canonieke boeken. Zijn indeling is een belangrijke historische getuigenis, hoewel zijn lijst niet in alle opzichten identiek is aan de latere protestantse indeling van 39 boeken.


Het historische bewijs ondersteunt het bestaan van een oude verzameling Joodse heilige geschriften. De precieze grenzen en indeling moeten echter zorgvuldig worden onderscheiden van latere christelijke canonlijsten.

2. Het Nieuwe Testament: waarom precies 27 boeken?


Voor het Nieuwe Testament beschikken we over meerdere soorten bewijs: Bijbelse verwijzingen naar apostolische geschriften, citaten van vroege christenen, oude handschriften en historische lijsten.

2.1. De apostelen schreven met gezag

2 Petrus 3:15-16 verwijst naar de brieven van Paulus en vergelijkt de verdraaiing ervan met de verdraaiing van „de overige Schriften”. Dit is een belangrijke aanwijzing dat Paulus' brieven in de vroege christelijke wereld een bijzondere status hadden.

1 Timoteüs 5:18 combineert een uitspraak uit Deuteronomium 25:4 met de woorden „de arbeider is zijn loon waard”, die overeenkomen met Lukas 10:7. Dit kan erop wijzen dat een uitspraak uit het evangelie van Lukas al vroeg als Schrift werd aangehaald.

1 Korintiërs 14:37 maakt duidelijk dat Paulus zijn apostolische instructies als geboden van de Heer presenteerde. Deze teksten tonen het gezag van apostolische onderwijzing. Ze bevatten echter geen volledige lijst van de 27 boeken.

2.2. Het Muratorisch fragment

Het Muratorisch fragment is een oude lijst van christelijke geschriften. Het noemt onder andere de vier evangeliën, Handelingen, verschillende brieven van Paulus, de brieven van Johannes, Judas en Openbaring. Het document is onvolledig en wijkt op enkele punten af van de huidige lijst van 27 boeken.


De traditionele datering plaatst het aan het einde van de tweede eeuw, maar die datering is onderwerp van wetenschappelijk debat. Geoffrey Mark Hahneman heeft bijvoorbeeld betoogd dat het fragment uit de vierde eeuw kan stammen. Bron: Geoffrey Mark Hahneman, The Muratorian Fragment and the Development of the Canon (Oxford University Press, 1992).


Het fragment toont in ieder geval dat er historische pogingen bestonden om gezaghebbende christelijke geschriften van andere werken te onderscheiden.

2.3. Eusebius: erkende, betwiste en verworpen boeken

Rond het begin van de vierde eeuw beschreef Eusebius van Caesarea in Kerkgeschiedenis 3.25 verschillende categorieën geschriften.


Hij noemt onder meer:

  • Erkende boeken: de vier evangeliën, Handelingen, de brieven van Paulus en bepaalde andere brieven.

  • Betwiste boeken: onder andere Jakobus, Judas, 2 Petrus en 2 en 3 Johannes.

  • Verworpen of niet-canonieke geschriften: onder andere de Handelingen van Paulus, de Herder van Hermas en de Openbaring van Petrus.

Openbaring wordt eveneens besproken omdat sommige christenen het aanvaardden en anderen niet. Bron: Eusebius, Kerkgeschiedenis 3.25.


Deze bron is bijzonder waardevol omdat ze laat zien dat christenen niet zomaar ieder religieus boek aanvaardden. Ze onderzochten de herkomst en de erkenning van geschriften. Tegelijk bewijst de bron dat er in het begin van de vierde eeuw nog discussie bestond over bepaalde boeken.

2.4. Athanasius: de 27 boeken in 367 na Christus

Athanasius van Alexandrië somde in 367 na Christus in zijn 39e paasbrief de 27 boeken op die overeenkomen met het huidige Nieuwe Testament. Hij maakt ook onderscheid tussen canonieke boeken en andere geschriften die nuttig kunnen zijn voor onderricht. Bron: Athanasius, Festal Letter 39, §§ 4-7.


Dit is de vroegst bewaarde lijst die precies overeenkomt met de 27 boeken van het huidige Nieuwe Testament. Dat betekent niet dat Athanasius de canon heeft uitgevonden. Zijn brief bewijst dat deze lijst in de vierde eeuw expliciet werd verdedigd en erkend door een invloedrijke bisschop.

2.5. De synodes van Hippo en Carthago

Aan het einde van de vierde eeuw bevestigden Noord-Afrikaanse kerkvergaderingen lijsten van Bijbelboeken. De synodes van Hippo (393) en Carthago (397), en een latere vergadering in Carthago (419), behoren tot de belangrijke historische getuigenissen.

De lijsten bevestigen de 27 boeken van het Nieuwe Testament. Voor het Oude Testament bevatten ze echter ook boeken die niet tot de protestantse canon behoren.

Deze synodes bewijzen dus niet dat alle christenen toen precies dezelfde 66 boeken hanteerden.

Historische conclusie: de canon werd niet tijdens één vergadering plotseling samengesteld. De erkenning van de boeken ontwikkelde zich gedurende meerdere eeuwen, met zowel brede overeenstemming als discussies over bepaalde geschriften.

3. De vroege kerkvaders: kunnen we bijna het hele Nieuwe Testament reconstrueren?


Een veelgehoorde bewering luidt dat nagenoeg het volledige Nieuwe Testament kan worden gereconstrueerd op basis van de citaten van de vroege kerkvaders, met uitzondering van slechts elf verzen. Deze uitspraak heeft een historische achtergrond, maar het precieze getal moet voorzichtig worden gebruikt.

3.1. Wie waren de kerkvaders?

De vroege kerkvaders waren christelijke schrijvers uit de eerste eeuwen na Christus. Hun brieven, preken en boeken bevatten duizenden citaten en verwijzingen naar Bijbelteksten.


Enkele belangrijke voorbeelden zijn:

  • Clemens van Rome: schreef rond het einde van de eerste eeuw aan de gemeente in Korinte.

  • Ignatius van Antiochië: schreef brieven aan verschillende christelijke gemeenten.

  • Polycarpus van Smyrna: schreef aan de Filippenzen.

  • Justin(us) de Martelaar: beschreef het lezen van apostolische geschriften tijdens christelijke samenkomsten.

  • Irenaeus van Lyon: verdedigde rond 180 na Christus het gezag van de vier evangeliën.

  • Clemens van Alexandrië en Origenes: citeerden en bespraken veel Bijbelboeken.

  • Tertullianus: gebruikte aan het einde van de tweede en het begin van de derde eeuw veel teksten uit het Nieuwe Testament.


Hun geschriften vormen een belangrijke aanvullende bron voor het onderzoek naar de overlevering van de Bijbeltekst.

3.2. Waar komt de uitspraak over de elf verzen vandaan?

De uitspraak wordt vaak toegeschreven aan de Schotse geleerde David Dalrymple (1726-1792), ook bekend als Lord Hailes. Een historisch onderzoek naar deze bewering laat echter zien dat de overlevering ingewikkelder is dan de populaire formulering doet vermoeden. Verschillende latere auteurs hebben de anekdote doorgegeven, soms zonder de oorspronkelijke context volledig te vermelden.


Daarom is het niet verantwoord om zonder voorbehoud te beweren dat onderzoekers exact hebben aangetoond dat alle verzen behalve elf uit de kerkvaders kunnen worden gereconstrueerd. Bron: The Patristic Citations of the Ante-Nicene Church Fathers and the Search for Eleven Missing Verses of the New Testament.


3.3. Wat bewijzen de citaten werkelijk?

De historische waarde is groot, maar er zijn beperkingen. Ten eerste: niet iedere verwijzing is een letterlijk citaat. Een kerkvader kan een tekst letterlijk aanhalen, samenvatten of meerdere Bijbelteksten combineren. Ten tweede: de citaten zijn ongelijk verdeeld. De evangeliën en de brieven van Paulus worden veelvuldig aangehaald. Korte boeken zoals Filemon en 3 Johannes zijn veel minder vertegenwoordigd. Ten derde: ook de geschriften van de kerkvaders zijn gekopieerd.

Hun teksten hebben zelf een overleveringsgeschiedenis. Bij het kopiëren konden Bijbelcitaten worden aangepast aan de tekstvorm die de kopiist kende. Bruce M. Metzger bespreekt de waarde en de beperkingen van patristische citaten in zijn artikel Patristic Evidence and the Textual Criticism of the New Testament, New Testament Studies 18 (1972), pp. 379-400.

3.4. Wat betekent dit voor de betrouwbaarheid van de Bijbel?

Hier moeten we twee vragen onderscheiden:

  1. Tekstuele betrouwbaarheid: welke woorden stonden in de vroegste bereikbare tekst van het Nieuwe Testament?

  2. Canonieke betrouwbaarheid: welke boeken behoren tot het Nieuwe Testament als gezaghebbende Schrift?


De kerkvaders helpen bij beide vragen, maar op verschillende manieren. Wanneer een kerkvader een passage uit Johannes citeert, ondersteunt dat het bestaan en het gebruik van die passage in zijn tijd. Wanneer hij een boek als apostolisch of als Schrift beschouwt, levert dat ook bewijs voor de vroege erkenning van dat boek. Een citaat bewijst echter niet automatisch dat het betreffende boek geïnspireerd is.


Conclusie: de vroege kerkvaders leveren omvangrijk aanvullend bewijs voor de overlevering en het gebruik van het Nieuwe Testament. De claim over slechts elf ontbrekende verzen is echter geen stevig genoeg onderbouwd exact cijfer om als vaststaand historisch feit te presenteren.

4. Waarom horen andere geschriften niet bij de canon?


De vroege christenen maakten onderscheid tussen apostolische geschriften en andere religieuze werken.

Geschrift

Historische betekenis

Canonieke status

Evangelie van Thomas

Een verzameling uitspraken van Jezus, in de bewaarde vorm doorgaans in de tweede eeuw gedateerd.

Niet opgenomen in de algemeen aanvaarde 27 boeken.

Herder van Hermas

Een vroegchristelijk werk dat door sommige christenen gewaardeerd werd.

Eusebius rekent het tot de niet-canonieke geschriften; Athanasius noemt het nuttig voor onderricht.

Brief van Barnabas

Een vroegchristelijk geschrift dat in sommige oude Bijbelhandschriften werd opgenomen.

Niet opgenomen in Athanasius' lijst van canonieke boeken.

1 en 2 Makkabeeën

Joodse geschiedkundige en religieuze werken uit de periode vóór Christus.

Wel deuterocanoniek in de katholieke Bijbel, niet in de protestantse canon van 66 boeken.

Bronnen: Eusebius, Kerkgeschiedenis 3.25; Athanasius, 39e paasbrief; Gallagher en Meade, The Biblical Canon Lists from Early Christianity (Oxford University Press, 2017).


Een belangrijk onderscheid is dat een niet-canoniek boek niet noodzakelijk iedere historische waarde mist. Het kan informatie bevatten over de overtuigingen en gebruiken van vroege christenen. Omgekeerd maakt ouderdom of populariteit een boek niet automatisch tot geïnspireerde Schrift. De vraag is dus niet alleen of een boek oud is, maar ook welke historische en inhoudelijke redenen er zijn om het als gezaghebbende Schrift te erkennen.

5. Heeft het Concilie van Nicea in 325 de Bijbel samengesteld?


De bewering dat de Bijbel tijdens het Concilie van Nicea in 325 werd samengesteld, wordt niet ondersteund door betrouwbare historische documentatie. Nicea is vooral bekend vanwege de discussies over de verhouding tussen de Vader en de Zoon en de formulering van de geloofsbelijdenis.


De canonlijsten die we uit de vierde eeuw kennen, komen uit andere bronnen. Een belangrijk voorbeeld is de 39e paasbrief van Athanasius uit 367 na Christus. De erkenning van de canon verliep over een langere periode. Sommige boeken werden al vroeg breed aanvaard; over andere bestond discussie.


Conclusie: Nicea heeft de 66 boeken niet tijdens één vergadering gekozen.


6. Welke criteria werden gebruikt bij de erkenning van Bijbelboeken?


Uit de historische bronnen komen verschillende belangrijke factoren naar voren.


1. Apostolische oorsprong

Was een geschrift afkomstig van een apostel of iemand die nauw met de apostelen verbonden was? Bijbelse aanknopingspunten: Efeziërs 2:19-20; 2 Petrus 3:15-16.

2. Overeenstemming met de apostolische leer

Een geschrift moest overeenstemmen met de leer die de apostelen verkondigden. Bijbelse aanknopingspunten: Galaten 1:8-9; 1 Johannes 4:1-6.

3. Vroege en brede erkenning

Werd het geschrift al vroeg in verschillende gemeenten gelezen en erkend? Historische bronnen: Eusebius, Kerkgeschiedenis 3.25; Athanasius, 39e paasbrief.

4. Historische herkomst

Wanneer werd een boek geschreven? Is de toegeschreven auteur geloofwaardig? Zijn er aanwijzingen dat het boek uit de apostolische tijd stamt? Historische bron: Eusebius, Kerkgeschiedenis 3.25.


Deze vier punten zijn een samenvatting van factoren die uit de historische bronnen naar voren komen. Het was geen officieel, overal identiek toegepast beoordelingsformulier.

7. Hoe kunnen we met zekerheid zeggen dat de 66 boeken de juiste canon vormen?


We moeten hier onderscheid maken tussen historische zekerheid en geloofszekerheid.

7.1. Wat de geschiedenis kan aantonen

De historische bronnen laten zien dat:

  1. De Joodse Schriften al vóór het ontstaan van het christendom een gezaghebbende plaats innamen.

  2. Apostolische geschriften al vroeg door christelijke gemeenten werden gelezen en gewaardeerd.

  3. Vroege christelijke schrijvers bewust onderscheid maakten tussen erkende, betwiste en verworpen boeken.

  4. Athanasius in 367 de 27 boeken opsomde die overeenkomen met het huidige Nieuwe Testament.

  5. De 66 boeken uiteindelijk de canon werden die door de gemeente van Christus wordt gebruikt.


Deze historische gegevens ondersteunen de betrouwbaarheid van de overlevering en tonen hoe de canon werd erkend. Ze bewijzen op zichzelf echter niet dat God elk van deze boeken heeft geïnspireerd. Dat is een theologische conclusie die ook afhankelijk is van het geloof in Gods openbaring.

7.2. Wat de Bijbel over inspiratie leert

2 Timoteüs 3:16-17 (NBG)

„Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.”

Judas 3 (NBG) spreekt over „het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is”. Dit zijn belangrijke uitgangspunten: God heeft zijn Woord gegeven en de christen moet zijn geloof aan dat Woord toetsen. Maar geen van deze teksten somt rechtstreeks alle 66 boeken op. Daarom moeten we de Bijbelse aanspraken combineren met het historische getuigenis.

7.3. De kern van de zaak

De overtuiging dat de 66 boeken de juiste canon vormen, rust niet op één concilie, één kerkvader of één indrukwekkend cijfer. Ze berust op een samenhangend geheel van:

  • het Bijbelse getuigenis over Gods openbaring;

  • de historische herkomst en verspreiding van de geschriften;

  • de erkenning van apostolische boeken door vroege christelijke gemeenten;

  • de vergelijking van oude handschriften en citaten;

  • de historische ontwikkeling van de canonlijsten.

8. Bronnen om zelf te onderzoeken


1. Flavius Josephus — Tegen Apion, boek 1, §§ 37-43. Primaire bron over de Joodse heilige geschriften. Lees Against Apion

2. Eusebius — Kerkgeschiedenis, boek 3, hoofdstuk 25. Primaire bron over erkende, betwiste en verworpen christelijke geschriften. Lees Eusebius, boek 3

3. Athanasius — 39e paasbrief (367). Primaire bron voor de 27 boeken van het Nieuwe Testament. Lees de brief van Athanasius

4. Geoffrey Mark Hahneman — The Muratorian Fragment and the Development of the Canon (1992). Wetenschappelijk onderzoek naar de datering en betekenis van een vroege canonlijst. Bekijk de studie bij Oxford University Press

5. Bruce M. Metzger — Patristic Evidence and the Textual Criticism of the New Testament (1972). Wetenschappelijk artikel over het gebruik van citaten van kerkvaders bij tekstkritisch onderzoek. Zoek de volledige bibliografische gegevens in New Testament Studies 18 (1972), pp. 379-400.

6. Edmon L. Gallagher en John D. Meade — The Biblical Canon Lists from Early Christianity (2017). Wetenschappelijk overzicht van vroege canonlijsten en de ontwikkeling van de Bijbelcanon. Bekijk het boek bij Oxford University Press

Slotconclusie


De geschiedenis leert ons dat de Bijbel niet in één vergadering werd samengesteld en dat niet ieder religieus geschrift automatisch als Schrift werd aanvaard. Er bestond een langdurig proces van onderzoek, erkenning en discussie.


De vroege kerkvaders, oude handschriften en historische canonlijsten vormen samen belangrijk bewijs voor de overlevering en erkenning van de Bijbelboeken. De bewering dat op elf verzen na het hele Nieuwe Testament uit de kerkvaders kan worden gereconstrueerd, moet echter voorzichtig worden geformuleerd en mag niet als een exact bewezen feit worden gebruikt.

De uiteindelijke vraag is of we deze boeken herkennen als Gods Woord, in plaats van ze uitsluitend te aanvaarden omdat een kerkelijke vergadering ze heeft goedgekeurd. De sterkste verdediging van de 66 boeken combineert daarom historisch onderzoek met een zorgvuldige toetsing aan de Bijbel zelf. Dat vraagt geen blind vertrouwen in een menselijke beslissing, maar een eerlijke beoordeling van het beschikbare bewijs en van de aanspraken die de Schrift over zichzelf maakt.

bottom of page