
Peter Vandebuerie

De rooms-katholieke kerk getoetst aan het Nieuwe Testament
Een vergelijking tussen het Nieuwe Testament, de katholieke leer en de vroegchristelijke geschriften
Doel van deze les
De vraag die wij in deze studie willen beantwoorden is:
Is de rooms-katholieke kerk de kerk die Jezus Christus in het Nieuwe Testament heeft gesticht?
Daarbij beoordelen wij niet de oprechtheid van individuele katholieken. Wij onderzoeken de kerk als organisatie, haar gezagsstructuur, haar leer en haar tradities. De maatstaf is niet wat een kerk door de eeuwen heen heeft geleerd, maar wat Christus en zijn apostelen hebben geleerd.
„Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.” Johannes 8:31-32, NBG
1. Hoe is de rooms-katholieke kerk ontstaan?
Na de stichting van de gemeente op Pinksteren in Handelingen 2 ontstonden overal gemeenten van Christus. In de eerste eeuwen groeiden binnen het christendom echter verschillen in organisatie, leer en kerkelijk gezag.
Plaatselijke oudsten en bisschoppen kregen geleidelijk een steeds belangrijkere positie. Sommige bisschoppen van grote steden kregen meer invloed dan anderen. Vooral de bisschop van Rome groeide uiteindelijk uit tot een bijzonder gezagscentrum. Door de eeuwen heen ontwikkelde zich daaruit een steeds uitgebreider hiërarchisch systeem met paus, kardinalen, bisschoppen en priesters, naast steeds meer kerkelijke tradities en leerstellingen.
De rooms-katholieke kerk zoals wij die vandaag kennen, moet daarom niet eenvoudig worden gelijkgesteld met de gemeente die wij in Handelingen 2 aantreffen. Er is sprake van een historische ontwikkeling van kerkelijke structuren en doctrines. Dat betekent niet dat alles in die ontwikkeling verkeerd was. Het betekent wel dat wij iedere ontwikkeling moeten toetsen aan het Nieuwe Testament.
We kunnen het probleem als volgt samenvatten:
„De Katholieke Kerk is niet de kerk die Jezus heeft gesticht. Zij houdt zich niet aan de leringen van de apostelen. Zij voegt toe en neemt af van Gods Woord. Zij volgt de Overleveringen enkel wanneer het haar uitkomt. Pausen zijn feilbaar en spreken elkaar regelmatig tegen.”
De vraag is dus: Wat vinden wij in het Nieuwe Testament en wat is later toegevoegd?
2. Wie is het hoofd van de kerk?
Dit is het eerste en belangrijkste verschil. Het Nieuwe Testament zegt over Christus:
„Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente.” Kolossenzen 1:18, NBG
En:
„En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente.” Efeziërs 1:22, NBG
De kerk heeft dus een hoofd:
Jezus Christus.
De katholieke structuur kent daarnaast een paus als universeel hoofd en hoogste menselijke gezagsdrager. De katholieke catechismus van het bisdom Roermond uit 1948 zegt:
„Het onfeilbaar leergezag in de Heilige Kerk bezitten de Paus afzonderlijk en de bisschoppen gezamenlijk, in vereniging met de Paus.”— vraag 159.
Hier ligt een fundamenteel verschil. Het Nieuwe Testament plaatst Christus boven de kerk. De katholieke kerk plaatst daarnaast een menselijk ambt met universeel leergezag.
3. Waar komt het pausdom vandaan?
De katholieke kerk verbindt het pausdom met de apostel Petrus. Maar nergens lezen wij dat Petrus:
de eerste universele paus werd;
boven alle andere apostelen stond;
universele macht over alle gemeenten ontving;
een pauselijk ambt instelde;
zijn bijzondere gezag aan de bisschoppen van Rome overdroeg.
Wanneer de apostelen in Handelingen 15 voor een belangrijk probleem bijeenkomen, lezen wij:
„Toen besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente...” Handelingen 15:22, NBG
Wij zien daar geen paus die als hoogste menselijke autoriteit het definitieve besluit neemt. Wij zien apostelen en oudsten samen.
4. Hoe werden gemeenten in het Nieuwe Testament geleid?
Paulus en Barnabas:
„...kozen zij in elke gemeente oudsten...” Handelingen 14:23, NBG
Paulus sprak tegen de oudsten van Efeze:
„Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde...” Handelingen 20:28, NBG
Petrus schreef:
„Hoedt de kudde Gods, die bij u is...” 1 Petrus 5:2, NBG
De plaatselijke gemeente had dus haar eigen oudsten. Ook Filippenzen 1:1 is veelzeggend:
„Aan alle heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen.”
Wij vinden: gemeente → oudsten/opzieners → diakenen.
Wij vinden niet: gemeente → priester → bisschop → kardinaal → paus.
Dit is een fundamenteel verschil in kerkorganisatie.
5. De katholieke leer van onfeilbaarheid
De katholieke catechismus van 1948 zegt:
„De Heilige Kerk is in de geloofsleer en zedenleer onfeilbaar door de bijstand van de Heilige Geest.” — vraag 158.
En vervolgens:
„Het onfeilbaar leergezag in de Heilige Kerk bezitten de Paus afzonderlijk en de bisschoppen gezamenlijk, in vereniging met de Paus.” — vraag 159.
Over de paus zegt dezelfde catechismus:
„De Paus is onfeilbaar, wanneer hij als hoofd van de Heilige Kerk een beslissende uitspraak doet over geloof of zeden en alle christenen de verplichting hebben die uitspraak aan te nemen.” — vraag 160.
Dit roept een belangrijke vraag op: Waar leert het Nieuwe Testament dat een menselijke kerkleider een onfeilbare uitspraak kan doen die alle christenen verplicht moeten aannemen? Wij vinden dat nergens. De apostelen wezen mensen steeds terug naar de openbaring van Christus. Paulus zegt:
„Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!” Galaten 1:8, NBG
De norm is dus:
De apostolische boodschap.
Niet een latere menselijke autoriteit.
6. Ex cathedra: wanneer is de paus onfeilbaar?
We hebben eerder gezien dat de paus als onfeilbaar wordt beschouwd. Toch wordt er ook gezegd dat niet elke uitspraak van de paus onfeilbaar is. De paus spreekt volgens deze leer onfeilbaar wanneer hij onder bepaalde voorwaarden officieel spreekt over geloof of zeden. Sinds het Eerste Vaticaans Concilie in 1870 het dogma van de onfeilbaarheid heeft afgekondigd, heeft slechts eenmaal een paus ex cathedra gesproken, namelijk Paus Pius XII, die in 1950 het dogma van de tenhemelopneming van Maria afkondigde.
Daar ontstaat een praktisch probleem: Hoe weet de gewone gelovige welke pauselijke uitspraak onfeilbaar is en welke niet?
„Waar is de lijst van onfeilbare uitspraken?”
en:
„Hoe kan ik een ‘ex cathedra’ uitspraak herkennen?”
Bij de apostelen bestaat dit probleem niet. Hun boodschap is voor ons vastgelegd in de geïnspireerde Schrift.
7. Kunnen pausen dwalen?
Paus Adrianus VI (1522-1523) en diens geschriften '‘Quaestiones de Sacramentis in Quartum Sententiarum librum’' dienen als voorbeeld bij het probleem van pauselijke feilbaarheid. Hij deed daarin de uitspraak: … ik zeg eerst dat als bij de Roomse kerk het hoofd wordt begrepen, namelijk de paus, dan is het zeker dat hij kan dwalen, zelfs in de dingen die betrekking hebben tot het geloof, door ketterijen te bekrachtigen d.m.v. zijn beslissingen of voorschriften. Want vele Romeinse pontificaten waren ketters. Dit is zelfs onlangs gezegd van Johannes XXII … .
Als Adrianus gelijk had, kon een paus dwalen. Als hij ongelijk had, had hij zelf gedwaald.
Het belangrijke punt is niet alleen Adrianus. Het gaat om de vraag:
Kan een menselijke kerkleider worden beschouwd als een onfeilbare bron van waarheid?
Het Nieuwe Testament geeft die positie niet aan één mens. Paulus schrijft:
„...opdat gij zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat.” 1 Korintiërs 4:6, NBG
De kerk moet dus worden getoetst aan Gods Woord.
8. Galileo en veranderende kerkelijke beoordelingen
Galileo als historisch voorbeeld.
In 1615 werd Galileo's verdediging van het heliocentrische model door kerkelijke autoriteiten veroordeeld. Later werd zijn beoordeling door de katholieke kerk opnieuw bekeken en sprak paus Johannes Paulus II in 1992 een verontschuldiging uit. Het gaat hier niet primair om de vraag of de aarde of de zon het middelpunt is. Het gaat om een principiële vraag:
Kan een onfeilbaar kerkelijk leergezag zichzelf in een eerdere beoordeling vergissen en die later corrigeren?
Dat voorbeeld maakt duidelijk waarom wij voorzichtig moeten zijn met het begrip „onfeilbaar kerkelijk leergezag”. Volgens de ene paus was Galileo een ketter, volgens de andere een vrome christen.
9. „Dynamische waarheid” en veranderlijke interpretatie
De Nieuwe Catechismus van 1966 zegt: