top of page
IMG_0033333.png
Peter Vandebuerie
people-2596890_1920.jpg

De rooms-katholieke kerk getoetst aan het Nieuwe Testament

Een vergelijking tussen het Nieuwe Testament, de katholieke leer en de vroegchristelijke geschriften

Doel van deze les

De vraag die wij in deze studie willen beantwoorden is:

Is de rooms-katholieke kerk de kerk die Jezus Christus in het Nieuwe Testament heeft gesticht?

Daarbij beoordelen wij niet de oprechtheid van individuele katholieken. Wij onderzoeken de kerk als organisatie, haar gezagsstructuur, haar leer en haar tradities. De maatstaf is niet wat een kerk door de eeuwen heen heeft geleerd, maar wat Christus en zijn apostelen hebben geleerd.

„Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.” Johannes 8:31-32, NBG

1. Hoe is de rooms-katholieke kerk ontstaan?

Na de stichting van de gemeente op Pinksteren in Handelingen 2 ontstonden overal gemeenten van Christus. In de eerste eeuwen groeiden binnen het christendom echter verschillen in organisatie, leer en kerkelijk gezag.

Plaatselijke oudsten en bisschoppen kregen geleidelijk een steeds belangrijkere positie. Sommige bisschoppen van grote steden kregen meer invloed dan anderen. Vooral de bisschop van Rome groeide uiteindelijk uit tot een bijzonder gezagscentrum. Door de eeuwen heen ontwikkelde zich daaruit een steeds uitgebreider hiërarchisch systeem met paus, kardinalen, bisschoppen en priesters, naast steeds meer kerkelijke tradities en leerstellingen.

De rooms-katholieke kerk zoals wij die vandaag kennen, moet daarom niet eenvoudig worden gelijkgesteld met de gemeente die wij in Handelingen 2 aantreffen. Er is sprake van een historische ontwikkeling van kerkelijke structuren en doctrines. Dat betekent niet dat alles in die ontwikkeling verkeerd was. Het betekent wel dat wij iedere ontwikkeling moeten toetsen aan het Nieuwe Testament.

We kunnen het probleem als volgt samenvatten:

„De Katholieke Kerk is niet de kerk die Jezus heeft gesticht. Zij houdt zich niet aan de leringen van de apostelen. Zij voegt toe en neemt af van Gods Woord. Zij volgt de Overleveringen enkel wanneer het haar uitkomt. Pausen zijn feilbaar en spreken elkaar regelmatig tegen.”

De vraag is dus: Wat vinden wij in het Nieuwe Testament en wat is later toegevoegd?

2. Wie is het hoofd van de kerk?

Dit is het eerste en belangrijkste verschil. Het Nieuwe Testament zegt over Christus:

„Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente.” Kolossenzen 1:18, NBG

En:

„En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente.” Efeziërs 1:22, NBG

De kerk heeft dus een hoofd:

Jezus Christus.

De katholieke structuur kent daarnaast een paus als universeel hoofd en hoogste menselijke gezagsdrager. De katholieke catechismus van het bisdom Roermond uit 1948 zegt:

„Het onfeilbaar leergezag in de Heilige Kerk bezitten de Paus afzonderlijk en de bisschoppen gezamenlijk, in vereniging met de Paus.”— vraag 159.

Hier ligt een fundamenteel verschil. Het Nieuwe Testament plaatst Christus boven de kerk. De katholieke kerk plaatst daarnaast een menselijk ambt met universeel leergezag.

3. Waar komt het pausdom vandaan?

De katholieke kerk verbindt het pausdom met de apostel Petrus. Maar nergens lezen wij dat Petrus:

  • de eerste universele paus werd;

  • boven alle andere apostelen stond;

  • universele macht over alle gemeenten ontving;

  • een pauselijk ambt instelde;

  • zijn bijzondere gezag aan de bisschoppen van Rome overdroeg.

Wanneer de apostelen in Handelingen 15 voor een belangrijk probleem bijeenkomen, lezen wij:

„Toen besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente...” Handelingen 15:22, NBG

Wij zien daar geen paus die als hoogste menselijke autoriteit het definitieve besluit neemt. Wij zien apostelen en oudsten samen.

4. Hoe werden gemeenten in het Nieuwe Testament geleid?

Paulus en Barnabas:

„...kozen zij in elke gemeente oudsten...” Handelingen 14:23, NBG

Paulus sprak tegen de oudsten van Efeze:

„Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde...” Handelingen 20:28, NBG

Petrus schreef:

„Hoedt de kudde Gods, die bij u is...” 1 Petrus 5:2, NBG

De plaatselijke gemeente had dus haar eigen oudsten. Ook Filippenzen 1:1 is veelzeggend:

„Aan alle heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen.”

Wij vinden: gemeente → oudsten/opzieners → diakenen.

Wij vinden niet: gemeente → priester → bisschop → kardinaal → paus.

Dit is een fundamenteel verschil in kerkorganisatie.

5. De katholieke leer van onfeilbaarheid

De katholieke catechismus van 1948 zegt:

„De Heilige Kerk is in de geloofsleer en zedenleer onfeilbaar door de bijstand van de Heilige Geest.” — vraag 158.

En vervolgens:

„Het onfeilbaar leergezag in de Heilige Kerk bezitten de Paus afzonderlijk en de bisschoppen gezamenlijk, in vereniging met de Paus.” — vraag 159.

Over de paus zegt dezelfde catechismus:

„De Paus is onfeilbaar, wanneer hij als hoofd van de Heilige Kerk een beslissende uitspraak doet over geloof of zeden en alle christenen de verplichting hebben die uitspraak aan te nemen.” — vraag 160.

Dit roept een belangrijke vraag op: Waar leert het Nieuwe Testament dat een menselijke kerkleider een onfeilbare uitspraak kan doen die alle christenen verplicht moeten aannemen? Wij vinden dat nergens. De apostelen wezen mensen steeds terug naar de openbaring van Christus. Paulus zegt:

„Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!” Galaten 1:8, NBG

De norm is dus:

De apostolische boodschap.

Niet een latere menselijke autoriteit.

6. Ex cathedra: wanneer is de paus onfeilbaar?

We hebben eerder gezien dat de paus als onfeilbaar wordt beschouwd. Toch wordt er ook gezegd dat niet elke uitspraak van de paus onfeilbaar is. De paus spreekt volgens deze leer onfeilbaar wanneer hij onder bepaalde voorwaarden officieel spreekt over geloof of zeden. Sinds het Eerste Vaticaans Concilie in 1870 het dogma van de onfeilbaarheid heeft afgekondigd, heeft slechts eenmaal een paus ex cathedra gesproken, namelijk Paus Pius XII, die in 1950 het dogma van de tenhemelopneming van Maria afkondigde.

Daar ontstaat een praktisch probleem: Hoe weet de gewone gelovige welke pauselijke uitspraak onfeilbaar is en welke niet?

„Waar is de lijst van onfeilbare uitspraken?”

en:

„Hoe kan ik een ‘ex cathedra’ uitspraak herkennen?”

Bij de apostelen bestaat dit probleem niet. Hun boodschap is voor ons vastgelegd in de geïnspireerde Schrift.

7. Kunnen pausen dwalen?

Paus Adrianus VI (1522-1523) en diens geschriften '‘Quaestiones de Sacramentis in Quartum Sententiarum librum’' dienen als voorbeeld bij het probleem van pauselijke feilbaarheid. Hij deed daarin de uitspraak: … ik zeg eerst dat als bij de Roomse kerk het hoofd wordt begrepen, namelijk de paus, dan is het zeker dat hij kan dwalen, zelfs in de dingen die betrekking hebben tot het geloof, door ketterijen te bekrachtigen d.m.v. zijn beslissingen of voorschriften. Want vele Romeinse pontificaten waren ketters. Dit is zelfs onlangs gezegd van Johannes XXII … .


Als Adrianus gelijk had, kon een paus dwalen. Als hij ongelijk had, had hij zelf gedwaald.


Het belangrijke punt is niet alleen Adrianus. Het gaat om de vraag:

Kan een menselijke kerkleider worden beschouwd als een onfeilbare bron van waarheid?

Het Nieuwe Testament geeft die positie niet aan één mens. Paulus schrijft:

„...opdat gij zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat.” 1 Korintiërs 4:6, NBG

De kerk moet dus worden getoetst aan Gods Woord.

8. Galileo en veranderende kerkelijke beoordelingen

Galileo als historisch voorbeeld.

In 1615 werd Galileo's verdediging van het heliocentrische model door kerkelijke autoriteiten veroordeeld. Later werd zijn beoordeling door de katholieke kerk opnieuw bekeken en sprak paus Johannes Paulus II in 1992 een verontschuldiging uit. Het gaat hier niet primair om de vraag of de aarde of de zon het middelpunt is. Het gaat om een principiële vraag:

Kan een onfeilbaar kerkelijk leergezag zichzelf in een eerdere beoordeling vergissen en die later corrigeren?

Dat voorbeeld maakt duidelijk waarom wij voorzichtig moeten zijn met het begrip „onfeilbaar kerkelijk leergezag”. Volgens de ene paus was Galileo een ketter, volgens de andere een vrome christen.

9. „Dynamische waarheid” en veranderlijke interpretatie

De Nieuwe Catechismus van 1966 zegt:

„Dezelfde waarheid moet altijd nieuw gezegd en toegepast worden...”

en:

„Dit houdt dus in dat de vertolking voor verbetering vatbaar blijft.” — De Nieuwe Catechismus, 1966, p. 430-431.

Er is niets verkeerd aan het opnieuw uitleggen van Gods Woord. Elke generatie moet de Bijbel opnieuw begrijpen en toepassen.

Maar er is een belangrijk verschil tussen: dezelfde waarheid opnieuw uitleggen en de waarheid zelf door een kerkelijk leergezag laten ontwikkelen.

Jezus zegt:

„Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Matteüs 24:35, NBG

De waarheid van Christus hoeft niet door latere pausen te worden verbeterd.

10. Schrift en Overlevering

De katholieke catechismus zegt:

„Wat Christus heeft geleerd weet de Heilige Kerk uit de goddelijke Overlevering en de Heilige Schrift.” — vraag 163.

Dit is één van de belangrijkste verschillen. De vraag is:

Heeft Christus zijn kerk opgedragen om naast de apostolische Schrift een latere kerkelijke traditie als bindende bron van geloof te aanvaarden?

Het Nieuwe Testament zegt:

„Heel de Schrift is door God ingegeven en nuttig om te onderrichten...” 2 Timoteüs 3:16, NBG

En Judas spreekt over:

„het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is.” Judas 3, NBG

De apostolische boodschap moet dus de norm blijven.

11. Wat zeggen vroege christelijke schrijvers?

Hier moeten wij eerlijk zijn. De geschriften van kerkvaders zijn niet geïnspireerd. Zij zijn historisch waardevol, maar zij staan niet op hetzelfde niveau als het Nieuwe Testament. Toch zijn ze interessant omdat zij laten zien hoe bepaalde kerkelijke ontwikkelingen ontstonden.

Ignatius van Antiochië

Ignatius schreef in het begin van de tweede eeuw:

„Waar de bisschop verschijnt, daar moet de gemeente zijn; evenals waar Christus is, daar is de katholieke kerk.”

Hij benadrukt bovendien sterk het gezag van de bisschop. Hier zien wij al een ontwikkeling richting een sterk bisschoppelijk systeem. Maar dit bewijst niet dat Christus dit systeem heeft ingesteld. Het Nieuwe Testament blijft de norm.

12. Irenaeus en de Schrift

Irenaeus, die rond 140-202 leefde, is bijzonder interessant. Hij zegt het volgende over de Schrift:

„een pijler en fundament van ons geloof” (tegen de ketters III, 1.1)

Hij benadrukt ook de geschreven documenten als bron van de waarheid. Dit is belangrijk omdat het laat zien dat wij de vroege kerkvaders niet zomaar allemaal als bewijs voor het latere rooms-katholieke systeem kunnen gebruiken. Sommigen leggen juist een sterke nadruk op de Schrift.

Daarom: De kerkvaders kunnen ons informeren over de geschiedenis, maar zij kunnen het Nieuwe Testament niet vervangen.


De katholieke kerk stelt dat zij de tradities volgt, maar bij nader onderzoek blijkt dat Rome alleen die leringen kiest die haar goed uitkomen. Zo vinden we dat Irenaeus:

  • de erfzonde ontkende (tegen de ketters IV, 28.3)

  • zei dat de waarheid is overgeleverd d.m.v. geschreven documenten (tegen de ketters III, 2.1)

  • geloofde dat de waarheid kan worden afgeleid uit de Schriften door hen die de Overlevering niet kennen (tegen de ketters III, 2.1)

  • zei dat zij die beweren dat de waarheid ‘viva voce’ (levende stem) wordt gepredikt, moeten worden afgewezen (tegen de ketters III, 2.1)

http://www.ccel.org/ccel/schaff/anf01.toc.html

13. Het priesterschap

De katholieke kerk heeft een bijzondere priesterstand. Het Nieuwe Testament gebruikt echter een veel bredere taal voor christenen:

„...laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen.”— 1 Petrus 2:5, NBG

Het onderscheid tussen een bijzondere katholieke priesterstand en de geestelijke priesterschap van alle gelovigen moet daarom zorgvuldig aan het Nieuwe Testament worden getoetst.

14. Het verplichte celibaat

De Nieuwe Catechismus zegt:

„Daarom is de kerk van het Westen ertoe overgegaan om slechts hen priester te wijden die daartoe ongehuwd willen blijven.” — De Nieuwe Catechismus, 1966, p. 434.

De Catechismus van de Katholieke Kerk stelt:

„Voor het bisschopsambt is het celibaat altijd vereist.” — vraag 334.

Maar Paulus schrijft over een opziener:

„Een opziener dan moet zijn onbesproken, de man van één vrouw...” — 1 Timoteüs 3:2, NBG

Waarom zou Paulus het hebben over de „man van één vrouw” als het huwelijk onverenigbaar zou zijn met het ambt? Het Nieuwe Testament maakt celibaat geen vereiste voor een opziener.

15. De inquisitie en kerkelijke macht

De Nieuwe Catechismus erkent zelf dat de middeleeuwse kerk verkeerde wegen is gegaan. Hij spreekt over:

„wrede en onrechtvaardige middelen tegen dwaalleraren”

en erkent de betrokkenheid van kerkelijk en wereldlijk bestuur. De catechismus concludeert:

„Hier blijkt hoezeer de kerk mensheid is die groeien moet in God.” — De Nieuwe Catechismus, 1966, p. 260-261.

Paus Innocentius IV uit 1252 schreef de pauselijke bul Ad Extirpanda in verband met het gebruik van martelmethoden tijdens verhoren. Maar Jezus zei:

„Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.” — Johannes 18:36, NBG

En Paulus:

„Vergeldt niemand kwaad met kwaad... Wreekt uzelf niet...” — Romeinen 12:17-19, NBG

De kerk van het Nieuwe Testament krijgt geen opdracht om met wereldlijke macht tegen andersdenkenden op te treden.

16. Het avondmaal: brood én wijn

Een zeer concreet voorbeeld van de kracht van kerkelijke traditie vinden wij in de geschiedenis van het avondmaal. Het Concilie van Konstanz in 1415 bepaalde dat de priester de gelovigen niet langer zowel brood als wijn mocht geven; de gemeente mocht alleen het brood ontvangen. Maar Paulus schrijft:

„Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker.” — 1 Korintiërs 11:28, NBG

Ook vroege niet-geïnspireerde geschriften zoals de Didache en geschriften van Clemens van Alexandrië en Cyprianus spreken over brood en wijn. Hier zien wij een belangrijk principe: Een latere kerkelijke beslissing mag de duidelijke apostolische praktijk niet vervangen.

17. De mis en het offer van Christus

De katholieke Eucharistie is verbonden met de offergedachte. Maar Hebreeën benadrukt juist dat Christus' offer éénmalig en volkomen was.

„...Hij heeft één offer voor de zonden gebracht... Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.” Hebreeën 10:12,14 NBG

En:

„...waar vergeving is, is geen offerande voor de zonde meer nodig.” Hebreeën 10:18, NBG

Dat is een krachtige reden om de katholieke offeropvatting naast Hebreeën te leggen.

Het Nieuwe Testament zegt: één offer. Niet: een voortdurend herhalen van het offer van Christus.

18. Maria en de heiligen

De katholieke traditie geeft Maria en de heiligen een belangrijke plaats in het gebedsleven. Maar Paulus zegt:

„Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus.” — 1 Timoteüs 2:5, NBG

De Bijbel leert ons bidden tot God. Jezus leert:

„Onze Vader, die in de hemelen zijt...” — Matteüs 6:9, NBG

Wij vinden geen apostolisch gebod om tot Maria of overleden heiligen te bidden. Maria verdient respect als moeder van Jezus en als gelovige vrouw. Maar respect is niet hetzelfde als haar aanroepen als hemelse voorspreekster.

19. Het vagevuur

De katholieke kerk leert dat sommige gestorven gelovigen na hun dood nog een reiniging moeten ondergaan. Maar het Nieuwe Testament zegt:

„...het is de mensen gezet, eenmaal te sterven en daarna het oordeel.” — Hebreeën 9:27, NBG

Een duidelijke leer van een vagevuur als plaats van postmortale reiniging vinden wij niet in het Nieuwe Testament. Daarom kan deze doctrine niet eenvoudig als apostolische leer worden gepresenteerd.

20. Wie bepaalt wat „ketterij” is?

De katholieke catechismus zegt:

„Ketters zijn zij, die wel gedoopt zijn, en zich christenen blijven noemen, maar hardnekkig één of meer geloofswaarheden verwerpen.” — vraag 162.

Maar wie bepaalt wat die „geloofswaarheden” zijn? In het katholieke systeem speelt het kerkelijk leergezag hierin een centrale rol. Het Nieuwe Testament geeft ons een ander voorbeeld. Over de Bereërs lezen wij:

„...zij ontvingen het woord met alle bereidwilligheid en onderzochten dagelijks de Schriften, of deze dingen zo waren.” — Handelingen 17:11, NBG

Zij onderzochten zelfs de prediking van Paulus aan de hand van de Schrift. Dat is een prachtig Bijbels principe:

Niet blind geloven omdat een gezagsdrager het zegt. Onderzoeken of het overeenkomt met Gods Woord.

21. De grote vraag: wie heeft het laatste woord?

Uiteindelijk komt de hele discussie hierop neer.

De katholieke benadering:

Schrift + Overlevering + kerkelijk leergezag

tegenover:

Het Nieuwe Testament:

Christus + de apostolische openbaring

Paulus zegt:

„Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!” — Galaten 1:8

Daarom kan geen paus, bisschop, concilie of kerkvader boven het apostolische Woord worden geplaatst.

22. De belangrijkste verschillen in één overzicht

Onderwerp

Nieuwe Testament

Rooms-katholieke kerk

Hoofd van de kerk

Christus

Christus + pauselijk hoofdambt

Universele paus

Niet aanwezig

Aanwezig

Onfeilbaar menselijk leergezag

Niet geleerd

Paus/bisschoppen

Kerkelijke structuur

Plaatselijke gemeenten

Universele hiërarchie

Plaatselijke leiding

Oudsten/opzieners

Bisschoppen/priesters binnen hiërarchie

Bron van gezag

Apostolische Schrift

Schrift + Overlevering + leergezag

Priesterschap

Alle gelovigen geestelijk priesterschap

Bijzonder sacramenteel priesterschap

Celibaat

Geen algemene eis voor oudsten

Vereist voor bepaalde ambten

Avondmaal

Brood én beker

Historisch ook beperking tot brood

Christus' offer

Eénmalig

Eucharistische offerleer

Maria

Moeder van Jezus

Bijzondere verering en aanroeping

Heiligen

Geen gebed tot hen

Aanroeping van heiligen

Vagevuur

Niet geleerd

Officiële doctrine

Pauselijke onfeilbaarheid

Niet geleerd

Officiële doctrine

Kerkelijke dwang

Niet geleerd

Historisch toegepast


23. De kern van de zaak

Wanneer wij alles samenvatten, komen wij bij vijf fundamentele vragen.

1. Wie is het hoofd?

Het Nieuwe Testament: Christus.

2. Wie heeft het hoogste gezag?

Het Nieuwe Testament: Gods geopenbaarde Woord door Christus en zijn apostelen.

3. Wie bestuurt de plaatselijke gemeente?

Het Nieuwe Testament: Oudsten/opzieners en diakenen.

4. Mag de kerk nieuwe bindende doctrines ontwikkelen?

Het Nieuwe Testament geeft daarvoor geen onbeperkte bevoegdheid.

5. Wat moeten wij doen wanneer een kerkelijke traditie strijdig lijkt met de Schrift?

De Schrift volgen.

Conclusie

De rooms-katholieke kerk heeft een lange geschiedenis en bevat veel Bijbelse elementen. Zij belijdt Christus, spreekt over de Bijbel, de opstanding en het evangelie. Maar dat is niet voldoende om haar te identificeren met de kerk van het Nieuwe Testament.

Wanneer wij haar gezagsstructuur, pausdom, onfeilbaar leergezag, Overlevering, bisschoppelijke hiërarchie, priesterschap, celibaat, Eucharistische offerleer, Maria- en heiligenverering en andere doctrines naast het Nieuwe Testament leggen, ontstaan fundamentele verschillen.

„Regeert God de Katholieke Kerk?”

Dat is uiteindelijk de juiste vraag. Niet: „Heeft Rome een lange geschiedenis?”

Niet: „Zijn er goede mensen in Rome?”

En: „Wordt de kerk geregeerd volgens het Woord van Christus en de leer van zijn apostelen?”


Het doel is:

Terug naar Christus.

Terug naar de apostelen.

Terug naar het Nieuwe Testament.

Want Jezus zei:

„Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.” Johannes 8:31-32, NBG

En Paulus waarschuwde:

„...opdat gij zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat.” 1 Korintiërs 4:6, NBG

Daarom is de uiteindelijke toets niet: „Wat zegt de paus?”, maar:

„Wat zegt het Woord van God?”

bottom of page