top of page
IMG_0033333.png
Peter Vandebuerie
people-2596890_1920.jpg

Joel (1)

Commentaar
Het Woord van God kwam tot Joel

1:1 Het woord des HEREN, dat kwam tot Joel, de zoon van Petuel.

Het boek van Joel is geschreven ergens tussen 900 en 400 voor Christus. We weten niet precies wanneer, omdat er geen bekende personen of gebeurtenissen worden genoemd. De naam Joel betekent: “De HEER is God.” De naam van zijn vader Petuel betekent: “verschijning van God.”

Joel vertelde ongeveer dezelfde dingen als de profeet Amos. Daarom denken veel mensen dat hij in dezelfde tijd leefde als Amos. Amos sprak vooral tot Israël, terwijl Joel zijn boodschap richtte tot Juda.

De komst van de sprinkhanen
1:2  Hoort dit, gij oudsten, en neemt ter ore, alle inwoners des lands. Is zo iets geschied in uw dagen of in de dagen van uw vaderen? 1:3 Vertelt daarvan aan uw kinderen; laten uw kinderen het aan hun kinderen vertellen en hun kinderen weer aan het volgende geslacht.

Joel roept vooral de oudere mensen op om goed te luisteren naar wat God zegt. Zij hebben veel meegemaakt en kunnen verhalen doorgeven aan jongere generatie (Deuteronomium 32:7; Job 32:7; Psalm 78:4).


Joel vraagt of iemand ooit zo’n ramp heeft meegemaakt. Het antwoord is eigenlijk: nee. Dit is erger dan alles wat ze kennen. Daarom is het belangrijk dat deze gebeurtenissen worden doorverteld, zodat volgende generaties hiervan kunnen leren en niet dezelfde fouten maken.

1:4 Wat de knager had overgelaten, heeft de sprinkhaan afgevreten; wat de sprinkhaan had overgelaten, heeft de verslinder afgevreten; en wat de verslinder had overgelaten, heeft de kaalvreter afgevreten.

Wat de rups liet liggen, werd opgegeten door de sprinkhaan.Wat de sprinkhaan overliet, werd opgegeten door de kever.En wat de kever liet liggen, werd opgegeten door de kruidworm.

God laat hiermee zien dat Hij alle middelen heeft om mensen wakker te schudden. Zijn waarschuwingen houden niet zomaar op. De boodschap is duidelijk en serieus: als jullie niet veranderen en terugkomen naar God, zal alles verloren gaan. Niemand blijft buiten schot.

Het veld is verwoest! Donkere tijden in het vooruitzicht.
1:5  Wordt wakker, gij dronkaards en huilt, en jammert allen, gij wijndrinkers, om de jonge wijn, want hij is van uw mond weggerukt. 1:6  Want een volk is tegen mijn land opgetrokken, machtig en ontelbaar; zijn tanden zijn leeuwetanden en het heeft hoektanden van een leeuwin. 1:7  Het heeft mijn wijnstok tot een voorwerp van ontzetting en mijn vijgeboom tot een geknakte stam gemaakt; het heeft de schors geheel en al afgeschild en weggeworpen; zijn ranken zijn wit geworden.

De dronkaards moesten beseffen dat er geen druiven meer zouden zijn om wijn van te maken. Dat betekende: geen inkomen en geen luxe meer. Zelfs feesten en dronkenschap zouden stoppen. Misschien waren ze letterlijk vaak dronken, maar zeker waren ze geestelijk dronken: ze zagen niet meer wat God van hen wilde. Hun denken was vertroebeld. Daarom zegt Joel eigenlijk: word wakker, word nuchter en kijk eerlijk naar hoe het met jullie gaat.

Het leger van sprinkhanen wordt beschreven alsof het een vijandig volk is dat optrekt tegen Gods volk. Ze zijn met ontelbaar veel, sterk en niet te stoppen (vgl. Spreuken 30:24-31). Hun tanden werken als wapens: alles gaat eraan. Wijnstokken en vijgenbomen – tekenen van leven en zegen – worden compleet kaalgevreten. Er blijft niets over.

 

1:8 Weeklaag als een maagd, met een rouwgewaad omgord, wegens de verloofde van haar jeugd. 1:9  Spijsoffer en plengoffer zijn ontrukt aan het huis des HEREN; de priesters, de dienaren des HEREN, treuren. 1:10  Verwoest is het veld; de aardbodem treurt, want het koren is verwoest, de most verdroogd, de olie weggeslonken.

De mensen moesten beseffen dat hun toekomst ineens weg kon vallen. Het is alsof een bruid haar bruidegom verliest nog vóór het huwelijk begint. Er komt geen samenleven, geen vreugde, geen zegen van het huwelijk.

Ook in de tempel zou alles stilvallen. Er konden geen graanoffers en drankoffers meer worden gebracht, die normaal samen met de dierlijke offers werden geofferd (Exodus 29:40-41; Numeri 18:8-18; 28:7-8). Simpelweg omdat er niets meer was om te offeren. Dat betekende dat het volk hun kant van het verbond met God niet meer kon nakomen. God had hun eerst alles gegeven wat ze nodig hadden om Hem te dienen, maar nu nam Hij die zegen weg.

Dat is een reden om verdrietig te zijn — voor het volk én voor de priesters. Het land is kapotgemaakt. De aarde zelf lijkt te rouwen, omdat er geen graan, geen verse wijn en geen olie meer is. Alles wat leven en hoop gaf, is verdwenen.

1:11  De landbouwers zijn verslagen, de wijngaardeniers jammeren, over de tarwe en over de gerst, want de oogst van het veld is verloren gegaan. 1:12  De wijnstok is verdord en de vijgeboom is verwelkt; granaatappelboom, ook palm en appelboom, alle bomen des velds zijn verdord. Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht.

De boeren en de mensen die in de wijngaarden werkten, hadden niets meer om te oogsten. Alles waarvoor ze hard gewerkt hadden, was verdwenen. Hun werk had geen zin meer, hun bestaanszekerheid viel weg. Ze konden het volk niets meer geven om van te leven. Zonder oogst is er geen toekomst. Dat betekent moeilijke, donkere en onzekere tijden die eraan komen.

1:13  Omgordt u en weeklaagt, gij priesters; jammert, gij dienaren van het altaar; komt, overnacht in rouwgewaden, gij dienaren van mijn God, want aan het huis van uw God zijn spijsoffer en plengoffer onthouden. 1:14  Heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen; vergadert, gij oudsten, alle inwoners des lands, tot het huis van de HERE, uw God, en roept luide tot de HERE.

De priesters worden opgeroepen om rouwkleren aan te trekken en diep verdriet te tonen. Niet zomaar even snel, maar langdurig, dag en nacht. Zij dienden bij het altaar en stonden dicht bij God. Maar nu zijn er geen graanoffers en drankoffers meer. God heeft deze weggenomen.

Rouwen en vasten laten zien dat iemand zijn schuld inziet en God serieus neemt (vgl. Jona 3:8). Hun verdriet moest uit hun hart komen, omdat ze beseften dat hun zonden fout waren. Daarom roept Joel hen op om zich te bezinnen en te vasten. Bij het vasten onthoudt men zich van (bepaald) voedsel om zich tot God te richten.

Niet alleen de priesters, maar het hele volk wordt opgeroepen. Ook alle leiders moeten naar de tempel komen en samen luid tot God roepen. De leiders moesten het goede voorbeeld geven en aan het volk duidelijk maken hoe ernstig de situatie is.

De dag van de Here is nabij
1:15 Wee die dag, want nabij is de dag des HEREN; als een verwoesting komt hij van de Almachtige.

De dag waarop dit onheil komt, staat voor de deur. Het is beter dat die dag niet komt, want dan zal er geen vreugde en geen gelach meer zijn in het land. Gods oordeel komt niet zomaar. Het is al lang aangekondigd door de profeten. Deze dag zal een dag van totale verwoesting zijn, veroorzaakt door de Almachtige God. De dag des Heren verwijst steeds naar een tijd waarin God Zijn macht laat zien.

De plaag van de sprinkhanen is eigenlijk nog maar een waarschuwing — een voorproefje van wat er kan gebeuren als het volk zich niet tot God keert (vgl. Mattheüs 10:28; Hebreeën 10:28).

1:16  Is niet voor onze ogen de spijze weggedaan, uit het huis van onze God vreugde en gejuich? 1:17  Verschrompeld zijn de zaadkorrels onder haar aardkluiten; verwoest zijn de voorraadschuren; gescheurd staan de korenbakken, want het koren is verdroogd. 1:18  Hoe kreunt het vee! De runderkudden dolen rond, want er is voor hen geen weide; ook de schapenkudden lijden zwaar.

Om duidelijk te maken wat er nog zou komen, wijst de profeet eerst op wat nu al gebeurd is. Het voedsel was grotendeels verdwenen, net zoals de vreugde in het huis van God. De zaadkorrels waren verdroogd door de hitte. De voorraadschuren werden afgebroken, omdat ze toch geen nut meer hadden. De graanbakken werden kapotgemaakt, want er was geen graan meer om in op te slaan. Zelfs de dieren lijden. Runderen en schapen kreunen omdat ze geen gras meer vinden. Ze zwerven rond, wanhopig op zoek naar voedsel, maar vinden niets.

1:19  Tot U, HERE, roep ik, want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld verzengd. 1:20  Zelfs de dieren des velds zien smachtend tot U op, want de waterbeken zijn uitgedroogd en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

Nog vóór de sprinkhanen kwamen, was er al droogte en waren er branden. De weiden en de bomen zijn door het vuur verwoest. Alles wat leefde, werd geraakt. Zelfs de dieren lijken te verlangen naar hulp van God. De waterstromen zijn opgedroogd en het gras is verdwenen. Als zelfs dieren verlangen naar Gods ingrijpen, hoeveel te meer zouden mensen dan niet naar Hem moeten roepen.

bottom of page