top of page
IMG_0033333.png
Peter Vandebuerie
people-2596890_1920.jpg

Joel (2)

Commentaar
De dag des Heren is nabij
2:1 Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg! Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des HEREN komt. Want hij is nabij!

De bazuin, gemaakt van een ramshoorn, moest worden geblazen om Sion te waarschuwen. Met Sion wordt Jeruzalem bedoeld, de heilige stad van God (Joel 3:17, Daniel 9:16,20). Normaal werd de bazuin gebruikt om het volk samen te roepen voor feesten en speciale momenten (Numeri 10:1-10). Maar in tijden van gevaar klonk de bazuin als een alarm: let op, er is nood (Jeremia 4:5)!


Nu is het zo’n moment. Er is geen tijd meer om te wachten. Als het volk zich niet bekeert, zal het oordeel komen. Daarom moeten de priesters de bazuin blazen: zodat iedereen beseft hoe ernstig de situatie is. De boodschap is duidelijk: de dag van Gods toorn komt dichtbij — word wakker en keer terug naar God. In de sterkte van God is veiligheid en rust.

Een verwoestend leger is op komst
2:2  Een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis. Als morgenrood uitgespreid over de bergen, is een talrijk en machtig volk; desgelijks is er van ouds niet geweest en zal er na hem niet meer zijn tot de tijd der verste geslachten. 2:3  Voor hem uit verteert een vuur en achter hem laait een vlam; als de hof van Eden is het land voor hem, en achter hem is het een woeste wildernis; en ook is er aan hem niet te ontkomen.

Er komt een dag van duisternis en diepe donkerheid, net zoals bij de plaag van de duisternis in Egypte (Exodus 10:21–24). Het zal een dag zijn waarop alles zwaar en dreigend aanvoelt.


Er zal een groot en machtig volk komen, zo talrijk dat het zich over de bergen verspreidt, zoals het eerste licht van de ochtend zich over de hemel en de bergtoppen uitstrekt. Zoiets is nog nooit eerder gebeurd en zal ook nooit meer gebeuren, zelfs niet in de verste toekomst. Dit laat zien hoe enorm en uitzonderlijk het oordeel zal zijn.

Eerder beschreef Joel de sprinkhanen al als een sterk en ontelbaar volk (Joel 1:6). Sommige mensen denken dat deze woorden ook vooruitwijzen naar echte legers, zoals de Assyriërs en later de Babyloniërs, die eerst het noordelijke rijk Israël en daarna het zuidelijke rijk Juda zouden aanvallen.

De verwoesting die komt, is als een allesverslindend vuur. Voor hen lijkt het land op de tuin van Eden, vol leven en schoonheid, maar achter hen blijft alleen een kale, lege woestijn over. Niemand en niets kan eraan ontsnappen.

2:4 Zijn aanblik is als die van paarden; als rossen rennen zij. 2:5  Als ratelende wagens op de toppen der bergen springen zij; als het geknetter van een vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, in slagorde geschaard tot de strijd. 2:6  Voor zijn aangezicht beven de volken; alle gezichten verbleken van angst.

Ze zien eruit als razendsnel rennende paarden. Ze springen over de bergen als luidruchtige strijdwagens die ratelen en denderen. Het geluid dat ze maken lijkt op knetterend vuur dat droge strohalmen verteert (vgl. Nahum 3:2–3; Openbaring 9:7–9).

Ze komen als een sterk en goed voorbereid leger, helemaal klaar voor de strijd. Wanneer de volken hen zien aankomen, beginnen ze te beven. Angst slaat toe en gezichten worden bleek (vgl. Nahum 2:10).

2:7 Als helden rennen zij, als krijgslieden beklimmen zij de muur, en zij gaan voort, ieder op zijn eigen wegen; zij lopen niet door elkander heen, 2:8  en de een verdringt de ander niet; iedere strijder gaat zijn eigen weg, en tussen de wapens door dringen zij voort; zij laten geen bres in hun rijen ontstaan. 2:9  Zij stormen op de stad aan; zij rennen op de muur; zij klimmen in de huizen; zij komen door de vensters als een dief.

Ze rennen vastberaden vooruit als helden en stormen de stad binnen. Ze vechten als een perfect georganiseerd leger, strak en doelgericht, zonder chaos of verwarring (Spreuken 30:27; Nahum 3:17).

Ze vallen de stad aan, rennen tegen de muren op, klimmen huizen binnen en komen via de ramen naar binnen, net als een dief die onverwacht toeslaat (vgl. Jeremia 9:21).

2:10  Voor hun aangezicht siddert de aarde, beeft de hemel; de zon en de maan worden zwart en de sterren trekken haar glans in. 2:11  En de HERE verheft zijn stem voor zijn strijdmacht heen, want zijn leger is zeer talrijk; want machtig is het leger dat zijn woord volbrengt; want groot is de dag des HEREN en zeer geducht! Wie zal hem verdragen?

Bij hun komst beven en schudden hemel en aarde (vgl. Psalm 18:7). Het voelt alsof de hele wereld uit balans raakt. De zon, de maan en de sterren verliezen hun licht en glans (vgl. Jesaja 13:10).

Jezus gebruikt soortgelijke beelden wanneer Hij spreekt over de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus (Matteüs 24:29). Ook Johannes gebruikt sterke, apocalyptische taal als hij de ondergang van het Romeinse Rijk beschrijft (Openbaring 6:12–14).

Dit laat zien hoe ernstig Gods oordeel is over de goddeloosheid van de volken. De macht die deze verwoesting brengt, staat niet los van God: dit leger handelt in Zijn opdracht. Het voert Zijn wil uit. De dagen waarop God Zijn oordeel laat zien, zijn groot en ontzagwekkend. Ze zijn zo heftig dat niemand ze zomaar kan verdragen (vgl. Amos 1:2; 5:18).

Bekeer u voordat het te laat is
2:12 Maar ook nu nog luidt het woord des HEREN: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. 2:13  Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil. 2:14  Wie weet, of Hij Zich niet wendt en berouw heeft en een zegen achter Zich laat overblijven, tot een spijsoffer en een plengoffer voor de HERE, uw God.

Zelfs nadat God het oordeel heeft aangekondigd, roept Hij het volk nog steeds op om te veranderen. Hij wil niet alleen ander gedrag, maar vooral een ander hart. Gelach moet veranderen in huilen, plezier in rouw en overdaad in vasten. Ze moesten niet alleen uiterlijk verdriet tonen, maar hun hart laten breken voor God, niet zomaar hun kleren scheuren (vgl. Matteüs 6:16–18).

God laat hier zien wie Hij echt is: genadig en barmhartig. Hij heeft geduld, zelfs terwijl Hij verdriet heeft om de zonden van Zijn volk. God is groot in liefde en trouw. Als mensen echt naar Hem terugkeren, wil Hij vergeven en Zijn oordeel stoppen (Deuteronomium 4:29–30; 1 Samuel 7:3; 2 Kronieken 7:13–14).

Zijn medelijden kan Hem ertoe brengen om het aangekondigde oordeel niet door te zetten (vgl. Psalm 103:8). Dat is een sterke reden om Gods oproep serieus te nemen. Bekering leidt niet tot straf, maar tot zegen.

God kijkt niet naar mooie woorden of lege rituelen, maar naar een eerlijk hart: “De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God.” (Psalm 51:17). Als het volk zich zou bekeren, zou God opnieuw voorzien. Dan zouden er weer graan- en drankoffers gebracht kunnen worden, en zou de relatie met God hersteld worden.

2:15  Blaast de bazuin op Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen. 2:16  Vergadert het volk, heiligt de gemeente, roept de ouden bijeen, vergadert de kinderen en de zuigelingen; de bruidegom trede uit zijn kamer en de bruid uit haar bruidsvertrek. 2:17  Laat de priesters, de dienaren des HEREN, tussen de voorhal en het altaar wenen en zeggen: Spaar, HERE, uw volk en geef uw erfdeel niet prijs aan de smaad, zodat de heidenen met hen zouden spotten. Waarom zou men onder de volken zeggen: Waar is hun God?

Opnieuw krijgen de priesters de opdracht om de ramshoorn te blazen. De eerste keer was het om het volk te waarschuwen voor gevaar (Joel 2:1). Nu is het om iedereen samen te roepen en zich te vernederen voor God. Er moet een vasten worden uitgeroepen en het hele volk moet bijeenkomen.

Iedereen moet komen: ouderen, jongeren en zelfs baby’s. Zelfs de bruidegom en de bruid moeten hun huwelijksleven tijdelijk onderbreken. Normaal wil God dat getrouwde mensen goed voor elkaar zorgen, maar in deze situatie is er iets dat nog belangrijker is: God op de eerste plaats zetten. Eerst moet er berouw en bekering zijn.

De priesters, als dienaren van Gods huis, moeten tussen de voorhal en het altaar staan en huilend tot God bidden. Ze moeten Hem smeken om genade en om een gunst die ze niet verdienen (vgl. Matteüs 23:35). Hun gebed is dat God Zijn volk zal sparen voor het komende oordeel.

Het volk hoort bij God; zij zijn Zijn eigendom. Als God hen zou overlaten aan straf en schande, zouden andere volken hen uitlachen. Dat zou betekenen dat mensen denken dat God niet meer bij Zijn volk is. Slechte mensen genieten soms van het ongeluk van anderen en spotten ermee wanneer zij gestraft worden. Daarom is het zo belangrijk dat het volk zich nu tot God keert en Hem om genade vraagt. Wanneer gelovigen dingen doen die straf verdienen, beschadigen ze niet alleen zichzelf. Ze brengen ook God in een slecht daglicht. Mensen kijken naar hen en verbinden hun gedrag met God.

Juist daarom hoort Gods volk anders te leven. Ze zijn geroepen om een licht in de duisternis te zijn — een voorbeeld dat laat zien wie God is en hoe Hij wil dat mensen leven.

God krijgt medelijden met Zijn volk
2:18 Toen nam de HERE het op voor zijn land en Hij kreeg medelijden met zijn volk.

Deze woorden laten zien dat het volk echt heeft geluisterd naar Gods oproep om zich te bekeren (vgl. Lukas 15:20). Hun houding is veranderd, en dat raakt Gods hart. Daarom herinnert God Zich opnieuw het verbond dat Hij met het volk Israël heeft gesloten (vgl. Zacharia 1:14; 8:2).

God luistert naar hun gebeden, naar hun redenen, en zelfs naar hun tranen. Wanneer ongelovigen Gods volk zouden bespotten of vernederen, raakt dat God zelf. Hij ziet die spot alsof die tegen Hem gericht is.

Gods reactie lijkt op de liefde van een man voor zijn vrouw: als haar onrecht wordt aangedaan, komt hij voor haar op. Zo zal God Zijn volk beschermen en verdedigen, met volle toewijding en vurige liefde.

2:19  De HERE antwoordde zijn volk: Zie, Ik zal u koren, most en olie zenden, zodat gij daarmede verzadigd wordt, en Ik zal u niet meer prijsgeven tot een smaad onder de volken. 2:20  Ik zal van u wegdrijven die uit het Noorden en hem verjagen naar een dor en woest land, zijn voorhoede naar de oostelijke zee en zijn achterhoede naar de westelijke zee, en zijn stank zal opstijgen en zijn vuile lucht zal opstijgen, want hij heeft grote dingen gedaan.

Tot nu toe sprak God tot het volk via de profeet Joel, maar nu neemt God zelf het woord. Hij wil dat ze weten dat Hij opnieuw zal voorzien. Hij belooft hun koren, most en olie, genoeg om echt verzadigd te worden. God zal stoppen met Zijn plan om hen tot spot te maken onder de andere volken.

Het grote sprinkhanenleger dat uit het noorden kwam, zal God zelf wegjagen. Hij zal het verdrijven naar een dor en leeg land. Een deel wordt naar de oostelijke zee gedreven en een ander deel naar de westelijke zee. In plaats van overwinning blijft er alleen stank en verrotting over als teken van hun ondergang.

Dit laat zien: de hand van God doet machtige dingen.Koning Sanherib van Assyrië dacht ooit ook dat hij onoverwinnelijk was en dat niemand hem kon tegenhouden. Hij vergat dat alleen God werkelijk grootse dingen kan doen (vgl. 2 Koningen 18:30–35; 19:11–13, 22, 28).

De les is duidelijk: wie denkt dat hij alles zelf in handen heeft, vergist zich. God alleen heeft de laatste stem.

2:21  Vrees niet, o land, jubel en verheug u, want de HERE heeft grote dingen gedaan. 2:22 Vreest niet, gij dieren des velds, want de weiden der woestijn groenen, want het geboomte draagt zijn vrucht, vijgeboom en wijnstok geven hun rijkdom. 2:23  En gij, kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de HERE, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja, regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege regen en late regen, zoals voorheen. 2:24  De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen.

Eerst riep God het volk op om ontzag te hebben voor Hem vanwege hun zonden. Maar na hun bekering verandert Zijn boodschap. Nu roept Hij hen op tot juichen en blij zijn. Liefde verdrijft angst. Wanneer de relatie met God hersteld is, hoeft vrees niet meer te overheersen.

De HEER doet grote en wonderlijke dingen. Zelfs de dieren mogen weer tot rust komen, want de planten en bomen zullen opnieuw vrucht dragen. Ook de kinderen van Sion mogen weer juichen en blij zijn in de HEER, hun God.

De zin “Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid” is lastig te vertalen. Andere vertalingen zeggen: “Hij laat voor u regen neerdalen tot rechtvaardiging.” Dat beeld maakt duidelijk dat God zorgt voor regen op het juiste moment en in de juiste hoeveelheid. De vroege regen in het najaar helpt de zaden te ontkiemen. De late regen in het voorjaar zorgt ervoor dat de oogst rijp wordt. Daardoor zullen de dorsvloeren weer vol graan zijn en zullen de perskuipen overlopen van wijn en olie. Alles wat eerst ontbrak, komt in overvloed terug.

Jakobus gebruikt dit beeld van de vroege en late regen om christenen te leren geduldig te wachten op de komst van de Rechtvaardige (Jakobus 5:7–8). Net zoals God trouw is in Zijn timing met regen en oogst, zo is Hij ook trouw in het vervullen van Zijn beloften.

2:25  Ik zal u vergoeden de jaren, toen de sprinkhaan alles opvrat, de verslinder en de kaalvreter en de knager, mijn groot leger dat Ik op u afzond. 2:26  Gij zult volop en tot verzadiging eten, en gij zult loven de naam van de HERE, uw God, die wonderbaar met u gehandeld heeft; mijn volk zal nimmermeer te schande worden. 2:27  Dan zult gij weten, dat Ik in het midden van Israel ben, en dat Ik, de HERE uw God ben, en niemand anders; mijn volk zal nimmermeer te schande worden.

God belooft dat Hij de jaren zal goedmaken waarin Zijn leger alles heeft verwoest. De moeilijke en donkere tijden maken plaats voor genoeg, blijdschap en het prijzen van de HEER, hun God. Want God heeft op een bijzondere manier ingegrepen.

Het volk zal niet langer beschaamd staan, omdat ze na hun bekering trouw aan God zijn gebleven. Hij laat zien dat Hij de God van Israël is en dat Hij midden onder hen woont. De HEER alleen is hun God, en er is geen andere (vgl. Jesaja 45:5, 18, 21). De schaamte is weggenomen.

Wie op God vertrouwt en op Hem blijft wachten, zal nooit teleurgesteld worden. Deze belofte past ook in het grotere profetische beeld van Immanuel — God met ons (Matteüs 1:23). Jezus kwam naar Zijn eigen volk, en iedereen die in Hem gelooft, zal niet beschaamd uitkomen (Romeinen 9:33).

Daarna zal Ik Mijn Geest uitstorten
2:28 Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. 2:29  Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten. 2:30  Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. 2:31  De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt.

Net zoals God eerst de sprinkhanen verdreef en daarna overvloedige regen gaf — wat zorgde voor materiële zegen en herstel — zo belooft Hij daarna iets dat nog groter is: geestelijke zegen. God zal Zijn Geest uitstorten, en dat zal zorgen voor een geestelijke oogst.

God zegt dat Hij Zijn Geest zal geven aan alle mensen. Zonen en dochters zullen Gods wil bekendmaken door te profeteren. Ouderen zullen dromen krijgen en jongeren zullen visioenen zien. Zelfs dienaren en dienaressen zullen Gods Geest ontvangen.

Daarnaast spreekt God over indrukwekkende tekenen: wonderen in de hemel en op aarde, bloed, vuur en rookzuilen. De zon zal verduisterd worden en de maan zal rood lijken als bloed, vóórdat de grote en ontzagwekkende dag van de HEER komt. Dit laat zien dat God Zijn macht toont en dat Zijn oordeel serieus is.

Petrus legt uit dat deze profetie vervuld werd op de Pinksterdag, na de opstanding van Jezus (Handelingen 2:16–21). Toen werd de Heilige Geest uitgestort over de apostelen (vgl. Johannes 16:7). Ze spraken in andere talen en profeteerden. Ongeveer tien jaar later gebeurde hetzelfde bij het gezin van de heiden Cornelius (Handelingen 10). Daarmee werd duidelijk dat Gods Geest gegeven wordt aan alle mensen, niet alleen aan Joden.

Sinds Pinksteren profeteerden velen:

·        de dochters van Filippus (Handelingen 21:9–10),

·        Agabus (Handelingen 11:28),

·        Barnabas, Simeon, Lucius en anderen (Handelingen 13:1),

·        vrouwen in Korinthe (1 Korintiërs 11:5).

Ook visioenen speelden een rol: Ananias en Paulus kregen die allebei (Handelingen 9:10; 16:9).

God maakt geen onderscheid: man of vrouw, Jood of niet-Jood — iedereen die bij Hem hoort ontvangt dezelfde Geest (1 Korintiërs 12:13; Galaten 3:26–27; Kolossenzen 3:11). Toch werkt de Heilige Geest niet bij iedereen op dezelfde manier. Er is verschil in gaven en taken, zoals Paulus uitlegt in 1 Korintiërs 12. Iedereen krijgt iets anders, maar alles is bedoeld om de gemeente op te bouwen.

Daarnaast leert de Bijbel dat sommige bijzondere gaven, zoals profeteren, spreken in tongen en speciale kennis, niet voor altijd bedoeld waren. Ze hadden een tijdelijke functie, totdat Gods Woord volledig bekendgemaakt zou zijn (1 Korintiërs 13).

Tegelijk laat de geschiedenis zien dat Jeruzalem en het Joodse volk, die Jezus verwierpen, Gods oordeel ondergingen in de verwoesting van de stad en de tempel in het jaar 70 na Christus.

2:32  En het zal geschieden, dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE zal roepen.

Zelfs midden in het oordeel laat God altijd een uitweg zien. Iedereen die de naam van de HEER aanroept, zal gered worden. Zoals er in de tijd van Joel redding was op de berg Sion en in Jeruzalem, zo is er ook redding in de tijd die daarna komt (Joel 2:28).

In het Nieuwe Testament wordt duidelijk dat deze redding te vinden is in het hemelse Jeruzalem, bij God zelf (Hebreeën 12:22–23). God staat steeds klaar om redding aan te bieden. Die redding begint met het roepen tot de HEER.

Dat zien we ook in de oproep van Petrus: “Bekeert u en laat ieder van u zich dopen in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn, zovelen als de HEER, onze God, ertoe roepen zal.” (Handelingen 2:38–39; vgl. Handelingen 22:16)

God roept mensen tot Zich door het evangelie van Jezus Christus — eerst de Joden, maar ook de niet-Joden (Romeinen 1:16; 9:27; 10:13; 11:27).

Gods boodschap verandert niet: het oordeel is echt, maar genade is altijd dichtbij voor iedereen die zich tot Hem keert.

bottom of page