
Peter Vandebuerie

Joel (3)
Commentaar
De rechtspraak over de volken
3:1 Want zie, in die dagen en te dien tijde, wanneer Ik een keer zal brengen in het lot van Juda en van Jeruzalem,
Het uitstorten van Gods Geest over Zijn volk (Joel 2:28–32) brengt zegen voor wie bij God hoort, maar tegelijk ook oordeel voor hun vijanden. Met “in die dagen” wordt terugverwezen naar de tijd waarin Gods Geest wordt uitgestort (Joel 2:28).
In die tijd zal God een grote verandering brengen in het lot van Juda en Jeruzalem. Er was al eerder een terugkeer geweest, namelijk uit de Assyrische en Babylonische ballingschap in 539 voor Christus, onder koning Kores (2 Kronieken 36:22–23). Maar de ommekeer waar Joel over spreekt, gaat verder dan een politieke of geografische terugkeer.
Deze ommekeer hoort bij de tijd waarin Christus het nieuwe verbond heeft opgericht. De profeet Amos gebruikt vergelijkbare woorden: “Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël” (Amos 9:14), in de tijd dat de vervallen hut van David weer opgebouwd zou worden (Amos 9:11–12). Jakobus bevestigt dat deze profetie wordt vervuld in de tijd van het Nieuwe Testament (Handelingen 15:14–18). Het gaat dus niet in de eerste plaats om land of macht, maar om een geestelijke verandering.
God koopt opnieuw een overblijfsel van Zijn volk vrij. Dat sluit aan bij wat Paulus zegt over Israël en Gods plan in Romeinen 11:5 en 25–28 (vgl. Jesaja 11:11).
3:2 zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren naar het dal van Josafat, en Ik zal aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van mijn volk en van mijn erfdeel Israel, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij mijn land verdeelden, 3:3 en over mijn volk het lot wierpen, en een jongen gaven voor een hoer en een meisje verkochten voor wijn, opdat zij konden drinken.
In de tijd waarin God na Pinksteren een ommekeer brengt in het lot van Juda en Jeruzalem, komt er ook oordeel over de volken die Gods volk hebben verstrooid en mishandeld. Het gaat om volken die Gods erfdeel verspreidden onder andere landen en het land onder elkaar verdeelden. Dit wijst onder andere op de periode waarin het Romeinse Rijk christenen vervolgde en Jeruzalem verwoestte in het jaar 70 na Christus.
God zegt dat Hij deze vijanden zal verzamelen en brengen naar het dal van Josafat. De naam Josafat betekent: “God heeft geoordeeld.” In de dagen van koning Josafat sprak God al oordeel over vijanden van Israël, waarna het volk aan alle kanten rust kreeg (2 Kronieken 20:1–30).
Op dezelfde manier zullen alle vijandige volken worden samengebracht voor Gods oordeel. Zij dachten dat ze zomaar konden beslissen over het lot van Gods volk. Ze verkochten zelfs kinderen van Gods volk als slaven, in ruil voor drank en immoreel plezier, zodat ze zorgeloos konden leven.
Het Oude Testament laat vaker zien dat God opstandige volken samenbrengt om hen ter verantwoording te roepen (vgl. Ezechiël 17:20; 20:35; 38:22–23). Niemand ontsnapt aan verantwoordelijkheid voor zijn daden.
Soms gebruikte God andere volken om Zijn eigen volk te straffen. Maar dat maakte die volken niet onschuldig. Ze bleven verantwoordelijk voor het geweld en het kwaad dat ze deden. Dat zien we bij het oordeel over de Assyriërs (Jesaja 10:5–13) en de Babyloniërs (Jeremia 25:9–13). Zij werden door God gebruikt, maar moesten zelf ook rekenschap afleggen.
God ziet onrecht, Hij vergeet het niet, en uiteindelijk zal Hij recht doen.
Het oordeel over Tyrus, Sidon en Filistea
3:4 En voorts, wat wilt gij van Mij, gij Tyrus en Sidon en alle landstreken van Filistea? Wilt gij Mij vergelding bewijzen? Maar indien gij het Mij vergelden wilt, snel, ijlings zal Ik de vergelding op uw eigen hoofd doen nederdalen.
Het oordeel begint bij Tyrus, Sidon en Filistea. Tyrus en Sidon waren belangrijke havensteden aan de Middellandse Zee, ten noordwesten van Israël. Filistea lag aan de kust ten zuidwesten van Israël (vgl. Ezechiël 25:15–17).
God stelt deze volken een scherpe vraag: Willen jullie Mij beschuldigen van onrecht? Willen jullie Mij terugbetalen voor wat Ik gedaan zou hebben?God zegt als het ware: als jullie denken dat je recht hebt op vergelding, doe het dan maar snel. Maar Hij waarschuwt meteen: de straf zal op jullie eigen hoofd terugkomen (Deuteronomium 32:35).
God laat duidelijk zien dat Hij het opneemt voor Zijn volk. Hij is de Rechtvaardige Rechter en de Wreker van wie Zijn volk kwaad aandoen (Lukas 18:7; 2 Thessalonicenzen 1:6). God laat onrecht niet zomaar voorbijgaan. Wie anderen onderdrukt, zal uiteindelijk zelf rekenschap moeten afleggen.
3:5 Want gij hebt mijn zilver en mijn goud weggenomen, mijn kostbare schatten naar uw tempels gebracht, 3:6 en de kinderen van Juda en van Jeruzalem hebt gij verkocht aan de Ioniers, om hen ver van hun gebied weg te voeren.
Deze volken hadden Gods zilver, goud en andere kostbare schatten geroofd en die naar de tempels van hun afgoden gebracht (vgl. Daniël 5:2–3). Wat eigenlijk aan God toebehoorde, gebruikten zij om hun eigen goden te eren.
Daarnaast verkochten ze de kinderen van Juda en Jeruzalem als slaven aan de Ioniërs, volken van de Griekse eilanden, zodat zij ver weg werden gebracht en niet meer in hun eigen land konden wonen (vgl. Ezechiël 27:13).
Soms liet God in het oude verbond toe dat andere volken Israël straften. Dat gebeurde niet zomaar, maar vanwege de ongehoorzaamheid en goddeloosheid van Israël zelf (Deuteronomium 28:32, 68). Toch betekende dit niet dat die volken vrijuit gingen. Ook zij bleven verantwoordelijk voor het kwaad dat ze deden. Het betekende ook niet dat God zich niet meer over zijn volk zou ontfermen.
3:7 Zie, Ik zal hen doen opstaan uit de plaats waarheen gij hen verkocht hebt, en Ik zal de vergelding op uw eigen hoofd doen nederdalen: 3:8 Ik zal uw zonen en uw dochters verkopen in de hand der kinderen van Juda, en dezen zullen hen verkopen aan de Sabeeers, naar een ver verwijderd volk, want de HERE heeft het gesproken.
God belooft dat Hij Zijn volk zal terughalen uit de plaatsen waar ze als slaven naartoe zijn verkocht. Wat deze volken hebben gedaan, zal op henzelf terugkomen (vgl. Amos 1:6–10). Hun eigen zonen en dochters zullen hetzelfde lot ondergaan en verkocht worden aan de Sabeërs, een volk dat ver weg woont. Zo laat God zien dat onrecht uiteindelijk niet ongestraft blijft.
Wanneer we dit lezen vanuit het Nieuwe Verbond, gaat het niet om concrete historische gebeurtenissen zoals de verwoesting van Sidon door Artaxerxes, de inname van Tyrus door Alexander de Grote, of de tijd van de Makkabeeën (zie 1 Makkabeeën en de geschriften van Flavius Josephus). Deze profetieën kunnen we ook niet letterlijk toepassen, omdat christenen niet worden opgeroepen om geweld te gebruiken, maar om het kwaad niet met kwaad te vergelden en hun vijanden lief te hebben (Matteüs 5:38–48).
De vijanden van Gods volk in de tijd van Joel staan symbool voor alle vijanden van Gods volk onder het Nieuwe Verbond. Ook de manier waarop God toen sprak over strijd en oordeel, wijst vooruit naar een andere soort strijd voor christenen: geen fysieke oorlog, maar een geestelijke strijd. De wapens die christenen gebruiken zijn niet werelds, maar geestelijk van aard (2 Korintiërs 10:3–6). God roept mensen niet op tot geweld, maar tot standvastigheid, geloof en geestelijke strijd. Uiteindelijk is God zelf de Rechter, en Hij zal recht doen over alles en iedereen.
3:9 Roept dit uit onder de volken: Heiligt de oorlog, doet de helden opstaan; dat alle krijgslieden aantreden, oprukken! 3:10 Smeedt uw ploegscharen tot zwaarden en uw snoeimessen tot speren; de zwakke zegge: Ik ben een held. 3:11 Maakt u op en komt, alle volken van rondom, en verzamelt u. Doe, o HERE, uw helden daarheen afdalen. 3:12 Laat de volken opstaan en oprukken naar het dal van Josafat, want daar zal Ik zitten om alle volken van rondom te richten.
In de vorige verzen ging het vooral over de volken rondom Israël. Nu wordt de blik groter: alle volken worden aangesproken. Dit sluit aan bij wat al eerder gezegd werd, dat God alle volken zal verzamelen (Joel 3:2).
God spreekt hen als het ware uitdagend toe: Willen jullie tegen Mij strijden? Maak je dan maar klaar.“Heilig een oorlog! Laat je helden opstaan en laat al je strijders naar voren komen. Maak van je ploegscharen en snoeimessen zwaarden en speren.” Dingen die normaal vrede en leven brengen, worden nu omgevormd tot wapens van oorlog. Zelfs de zwakke mag zeggen: ik ben een held.
God zegt eigenlijk: Ik ben hier. Kom maar. Laat zien wat je kunt.Hij roept hen naar het dal van Josafat, want daar zal Hij Zelf zitten om alle volken van rondom te oordelen.
Hoogmoed zorgt ervoor dat ongelovigen denken dat ze het tegen God kunnen opnemen. Dat idee komen we ook in het Nieuwe Testament tegen. De zielen onder het altaar roepen God om recht en vergelding, maar krijgen te horen dat ze nog even geduld moeten hebben (Openbaring 6:9–11). Christenen hoeven niet te strijden met vleselijke wapenen (Jesaja 2:4; Micha 4:3).
God zal Zijn vijanden op het juiste moment oproepen voor het oordeel. Hoe indrukwekkend hun legers ook lijken, de strijd zal voorbij zijn nog vóór ze echt begint. God heeft het laatste woord (Openbaring 20:7–15; Matteüs 25:32). Tegen God kun je niet winnen. Hoogmoed leidt tot ondergang, maar vertrouwen op God leidt tot leven.
De rechtvaardigen schuilen bij de Here
3:13 Slaat de sikkel erin, want de oogst is rijp. Komt, treedt, want de perskuip is vol; de wijnbakken stromen over. Want hun boosheid is groot. 3:14 Menigten, menigten in het dal der beslissing, want nabij is de dag des HEREN in het dal der beslissing. 3:15 De zon en de maan worden zwart en de sterren trekken haar glans in.
Het beeld van het binnenhalen van de oogst (vgl. Jeremia 51:33; Matteüs 13:39) en het persen van de wijnpers (vgl. Jesaja 63:3; Klaagliederen 1:15) wordt in de Bijbel vaak gebruikt om een oordeel te beschrijven. Het laat zien dat er een moment komt waarop God ingrijpt en recht doet.
De boosheid en het kwaad van de volken is groot. Gods geduld, dat lange tijd ruimte gaf om te veranderen, maakt plaats voor Zijn rechtvaardig oordeel, omdat het kwaad blijft doorgaan (vgl. Genesis 6:5–6; Openbaring 14:15, 18; 2 Petrus 3:7).
Veel mensen bevinden zich in het dal van de beslissing. Dat betekent: want de dag van Gods oordeel en beslissing over de goddelozen komt dichtbij.
Net als eerder beschreven, verliezen zon, maan en sterren hun glans. Dit beeld kwamen we al tegen in Joel 2:10 en 2:31. Het wijst op een moment waarop God Zijn macht en majesteit zichtbaar laat worden. God is geduldig, maar niet onverschillig. Er komt een moment waarop keuzes gevolgen hebben. Daarom is het belangrijk om nu al te kiezen voor God.
3:16 En de HERE brult uit Sion en verheft zijn stem uit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. Maar de HERE is een schuilplaats voor zijn volk en een veste voor de kinderen Israels.
De HEER laat Zijn stem horen als een brullende leeuw tegen de goddelozen, vanuit Sion en vanuit Jeruzalem. Zijn stem is zo machtig dat hemel en aarde ervan beven.
Maar voor wie bij Hem hoort, is dat heel anders. Voor Zijn volk zijn Sion en Jeruzalem een veilige schuilplaats, een sterke vesting waar je bescherming vindt (Psalm 46; Spreuken 18:10).
In het Nieuwe Testament wordt Sion niet meer gezien als een aardse plaats, maar als het hemelse Jeruzalem, de stad waar God regeert (Hebreeën 12:22–29). Deze stad is onwankelbaar en niet te veroveren. De HEER zelf is de hoop en de kracht van Zijn volk. Wie bij Hem schuilt, staat veilig — wat er ook gebeurt.
Gods oordeel over de natiën brengt voorspoed voor Gods volk
3:17 En gij zult weten, dat Ik, de HERE, uw God ben, die woon op Sion, mijn heilige berg, en Jeruzalem zal een heiligdom zijn, en vreemdelingen zullen er niet meer doortrekken.
Sion, de heilige berg, en Jeruzalem zijn Gods heiligdom, de plaats waar Hij woont. Daar zal geen plaats meer zijn voor vreemdelingen die niets met God te maken willen hebben. Het zal duidelijk zijn wie erbij hoort, want de HEER kent de Zijnen en de Zijnen kennen Hem. Zoals er staat: “En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de zijnen, en: Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid.”(2 Timoteüs 2:19)
God sloot ooit een verbond met Abraham, en dat verbond is vervuld in Christus. Iedereen die bij Christus hoort, wordt gezien als een kind van Abraham en als erfgenaam van Gods belofte (Galaten 3:15–18, 23–29). Deze mensen zijn burgers van Gods hemelse Koninkrijk. In dat Koninkrijk zal niets slechts of onreins binnenkomen (Daniël 2:44; 7:13–14; Filippenzen 3:20; Openbaring 21:27; 22:12–14). Bij God horen is geen kwestie van afkomst, maar van geloof en een leven dat bij Hem past. Wie Jezus volgt, hoort bij Gods familie en bij Zijn Koninkrijk. Aan het einde zal Jezus het Koningschap teruggeven aan God de Vader. Dan is Zijn opdracht voltooid: alle vijanden zijn overwonnen en alles staat weer onder Gods gezag (1 Korintiërs 15:24–28).
3:18 Te dien dage zal het geschieden, dat de bergen van jonge wijn zullen druipen en de heuvelen van melk zullen vloeien en alle beken van Juda van water zullen stromen; een bron zal ontspringen uit het huis des HEREN en zal het dal van Sittim drenken. 3:19 Egypte zal tot een woestenij worden, en Edom tot een woeste wildernis, vanwege het geweld de kinderen van Juda aangedaan, in wier land zij onschuldig bloed hebben vergoten.
In die tijd zal alles weer vruchtbaar en levendig worden: de bergen zullen druipen van jonge wijn en de heuvels zullen vol melk stromen. Alle beken in Juda zullen weer water brengen. Uit het huis van de HEER zal een bron ontspringen die zelfs het dal van Sittim (ten oosten van de Jordaan) zal laten stromen.
Het water van de HEER verandert een dor landschap in vruchtbaar land. Dit is een symbool voor het evangelie, dat de dorstige ziel vervult en eeuwig leven geeft (Johannes 4:14).
Tegelijkertijd zullen de eeuwige vijanden van Israël, zoals Egypte (vgl. Jesaja 19:1–15; 11:15) en Edom (vgl. Jesaja 34:1–17; Obadja 1:1), verwoest en leeg worden. Dit komt door hun daden tegen Gods volk: ze hebben onschuldig bloed vergoten, en dat wordt niet vergeten. God brengt leven en zegen voor wie bij Hem hoort, maar gerechtigheid zal ook over kwaad gesproken worden.
3:20 Maar Juda zal blijven tot in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht. 3:21 En Ik zal hun bloed onschuldig verklaren, dat Ik niet onschuldig verklaard had. En de HERE zal blijven wonen op Sion.
Juda, Gods uitverkoren volk, en Jeruzalem — of anders gezegd: de gemeente van Christus — zullen voor altijd blijven. Christus regeert zelfs te midden van Zijn vijanden, beschermt Zijn volgelingen, en zal hen uiteindelijk veilig naar het hemelse Jeruzalem brengen.
Het bloed van Zijn volk zal als onschuldig worden erkend (Joel 3:19), ook al heeft God niet meteen hun wraak voltrokken. De HEER zal blijven wonen op Sion, te midden van Zijn volk, en hen eeuwig nabij zijn (Openbaring 21:3).
De profetie van Joel leert ons belangrijke lessen die nog steeds gelden:
1. Zonde wordt serieus genomen – God veroordeelt zonde en onrecht.
2. God is vol genade – zelfs wanneer wij falen, geeft Hij ons de kans om terug te keren naar Hem.
3. Bekering is nodig – je hart veranderen en God volgen is de weg naar leven en zegen.
4. God is soeverein – Hij heeft alles in handen en niets ontsnapt aan Zijn plan.
5. Juiste aanbidding is belangrijk – God verlangt dat we Hem oprecht dienen, met ons hart en leven.
6. Gemeenschap met Gods Geest – door de Heilige Geest mogen we Gods leiding, kracht en gaven ervaren.
7. Het einde ligt in Gods handen – God bepaalt de uitkomst en zal alles rechtzetten, voor goed en kwaad.
Kortom: Joel leert ons dat God zowel rechtvaardig als liefdevol is, en dat wij veilig en gezegend zijn wanneer we ons aan Hem toevertrouwen.