
Peter Vandebuerie

Van wie is het huis?
Waarom zouden mensen Gods huis een andere naam geven of een andere structuur geven dan Christus heeft gegeven?
“Als mijn naam op mijn brievenbus staat, weet iedereen van wie het huis is. Als de Bijbel spreekt over ‘het huis Gods’ en Christus het Hoofd van de gemeente noemt, moeten wij ons afvragen: waarom zouden mensen dan Gods huis een andere naam geven of een andere structuur geven dan Christus heeft gegeven?”
Stel je voor dat je een huis bezit.
Op jouw brievenbus staat duidelijk jouw naam. Niet die van de architect, niet die van de aannemer en ook niet die van de bewoners. Jouw naam staat erop, omdat het jouw huis is. Nu komt iemand anders langs. Hij schildert een andere naam op de brievenbus. Vervolgens bouwt hij een extra verdieping, verandert de indeling, maakt nieuwe regels voor de bewoners en noemt het huis voortaan naar zichzelf.
Je zou waarschijnlijk zeggen: “Maar dit is mijn huis. Wie heeft jou het recht gegeven om mijn naam en mijn huis te veranderen?” Dat is een belangrijke vraag wanneer we naar de gemeente kijken.
1. De gemeente heeft een eigenaar
Jezus zei:
“Ik zal mijn gemeente bouwen.” — Matteüs 16:18
Let op het woord “mijn”. De gemeente is niet van Petrus. Niet van Paulus. Niet van een predikant. Niet van een kerkgenootschap. Niet van een mens. De gemeente behoort aan Christus. Paulus schrijft:
“Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente.” — Kolossenzen 1:18
En:
“Hij heeft Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is.” — Efeziërs 1:22-23
De verhouding is dus duidelijk:
Christus → Hoofd
Gemeente → Zijn lichaam
Als Christus het Hoofd is, wie heeft dan het recht om een andere structuur als hoofd over de gemeente te plaatsen?
2. De gemeente is ook Gods huis
Paulus gebruikt nog een andere belangrijke beschrijving:
“...opdat gij moogt weten, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid.” — 1 Timoteüs 3:15
De gemeente wordt hier “het huis Gods” genoemd. Dat brengt ons terug naar de brievenbus. Als op mijn huis staat: PETER VANDEBUERIE dan betekent dat: dit huis behoort mij toe.
Als de Bijbel spreekt over: “het huis Gods” dan wordt daarmee duidelijk gemaakt dat het Gods huis is. Bovendien noemt Paulus de gemeente “een pijler en fundament der waarheid.” Dat betekent dat de gemeente de waarheid niet zelf uitvindt, maar haar draagt, bevestigt en bekendmaakt zoals God die in Zijn Woord heeft geopenbaard. Daarom mag niemand zomaar iets aan Gods huis toevoegen, ervan wegnemen of het naar eigen inzicht veranderen.
Dan is de vraag niet: “Welke naam vinden mensen mooi?”, maar: “Welke naam heeft de eigenaar gegeven?” En ook: “Wat heeft de eigenaar gesproken, en wie heeft het recht om daar iets aan toe te voegen?”
3. De naam van Christus is niet zomaar een etiket
Het Nieuwe Testament spreekt herhaaldelijk over de gemeente als behorend aan Christus. Paulus schrijft bijvoorbeeld aan:
“de gemeente Gods, die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus...” — 1 Korintiërs 1:2
En hij waarschuwt dat Christus niet verdeeld mag worden:
“Is Christus gedeeld?” — 1 Korintiërs 1:13
Dat is belangrijk. Wanneer mensen verschillende kerkgenootschappen vormen en die vervolgens naar mensen, leerstellingen of bepaalde tradities noemen, ontstaat een andere vraag: Waarom zouden wij een naam boven de gemeente plaatsen die Christus zelf niet heeft gegeven? De Bijbel laat juist zien dat de gemeente verbonden wordt met Christus.
Christus is het Hoofd. De gemeente is zijn lichaam. De gemeente is Gods huis. De gemeente is een pijler en fundament van de waarheid.
Wie in de gemeente spreekt, behoort daarom niet zijn eigen ideeën als Gods waarheid te verkondigen. Wij moeten spreken als orakels van God (1 Petrus 4:11): niet als mensen die eigen gezag toevoegen, maar als dienaren die trouw doorgeven wat God heeft gesproken.
4. Maar wat gebeurt er met het huis?
Denk opnieuw aan het huis. De eigenaar heeft het huis gebouwd volgens een bepaald plan. Daarna komen verschillende mensen.
De één zegt: “Ik vind dat er een bisschop boven dit huis moet komen.”
Een ander zegt: “Nee, er moet een paus boven staan.”
Een derde zegt: “Wij maken verschillende denominaties met eigen besturen.”
Een vierde zegt: “Wij noemen dit huis voortaan naar onze hervormer.”
Een vijfde zegt: “Wij voegen onze eigen regels en geloofsbelijdenissen toe.”
En uiteindelijk staat er een hele reeks verschillende namen op huizen die oorspronkelijk allemaal beweren christelijk te zijn. Dan moeten we terug naar de oorspronkelijke vraag: Wat heeft de eigenaar eigenlijk gebouwd? En ook: Wat heeft Hij werkelijk gesproken?
Want wanneer de gemeente Gods huis is en een pijler en fundament van de waarheid, mag niemand zomaar een nieuwe verdieping bouwen met menselijke leer, traditie of gezag. De gemeente moet niet spreken vanuit zichzelf, maar vanuit het Woord van God. Zij moet als een mondstuk van God spreken, als orakels die niets toevoegen aan wat de Eigenaar heeft geopenbaard.
5. God bepaalde ook in het Oude Testament hoe Zijn huis moest worden ingericht
Denk eens aan de tabernakel. God gaf Mozes niet alleen de opdracht: “Bouw voor Mij een tabernakel.” Hij gaf ook zeer nauwkeurige instructies over de inrichting ervan. God zei:
“Gij zult de tabernakel oprichten volgens het plan dat u op de berg getoond is.” — Exodus 26:30
En eerder:
“Gij zult het maken overeenkomstig het voorbeeld daarvan, dat u op de berg getoond is.” — Exodus 25:40
God bepaalde dus wat er in Zijn huis kwam, waar het kwam en waarvoor het diende. Stel je nu voor dat iemand tegen Mozes zou zeggen: “Mozes, God heeft gezegd dat we een tabernakel moeten bouwen. Maar laten we het wat aantrekkelijker maken.”
“Laten we op het voorhof een barbecueplaats bouwen. Dan kunnen we na de eredienst samen eten.” “En laten we tegen het heilige een afdak met een kinderspeeltuin zetten. De kinderen zijn soms lastig tijdens de eredienst; zo kunnen ze zich daar bezighouden.” “En achter de tabernakel bouwen we een basketbalveld. Dan kunnen de leden zich na afloop wat ontspannen.”
Misschien zouden mensen zeggen: “Dat zijn toch allemaal goede dingen? Waarom zou God daar bezwaar tegen hebben?” Maar dat is precies het punt. De vraag is niet: “Is een barbecue verkeerd?”, “Is een speeltuin verkeerd?”, “Is basketbal verkeerd?”
De vraag is: “Heeft God gezegd dat deze dingen onderdeel van Zijn heiligdom moesten zijn?” Als God een plan voor Zijn huis geeft, hebben mensen niet automatisch het recht om daar hun eigen ideeën aan toe te voegen. Daarom is het belangrijk dat we ook naar de gemeente kijken.
6. Christus gaf ook een structuur
De Bijbel geeft niet alleen een naam voor de gemeente. Het Nieuwe Testament beschrijft ook haar structuur.
Christus is het hoofd
“Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente.” — Kolossenzen 1:18
Er is dus één hoofd: Christus.
Oudsten hebben leiding in de plaatselijke gemeente
Paulus en Barnabas:
“...in elke gemeente oudsten voor hen gekozen...” — Handelingen 14:23
Paulus geeft Titus eveneens opdracht:
“Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij... in alle steden oudsten zoudt aanstellen...” — Titus 1:5
De Bijbel beschrijft dus plaatselijke gemeenten met oudsten, niet met één wereldwijd menselijk bestuur dat boven alle gemeenten staat.
Oudsten hebben verantwoordelijkheid over de plaatselijke kudde
Petrus schrijft:
“Hoedt de kudde Gods, die bij u is...” — 1 Petrus 5:2
Let op: “de kudde Gods, die bij u is.” Dat wijst op verantwoordelijkheid binnen de plaatselijke gemeente.
Er zijn ook diakenen
Paulus schrijft aan:
“alle heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen.” — Filippenzen 1:1
We zien hier dus een herkenbare structuur: Christus — Hoofd
↓
Plaatselijke gemeente
↓
Oudsten / opzieners
↓
Diakenen en alle leden
Deze structuur is niet aan menselijke willekeur overgelaten. Wie in Gods huis dient, heeft niet het recht om eigen gezag boven Gods Woord te plaatsen. Oudsten, diakenen en alle leden moeten zich onderwerpen aan Christus en Zijn openbaring. Zij behoren niet hun eigen woorden als goddelijke waarheid te presenteren, maar trouw te spreken wat God heeft gesproken.
7. De vraag is daarom groter dan een naam
Het gaat uiteindelijk niet alleen om een bordje op de gevel. Stel dat iemand mijn huis koopt en vervolgens zegt: “Ik heb alleen de naam veranderd.”
Maar daarna blijkt dat hij ook:
de eigenaar heeft vervangen;
de structuur heeft veranderd;
nieuwe leiders heeft aangesteld;
nieuwe regels heeft ingevoerd;
een andere manier van aanbidden heeft ingevoerd;
en het huis een nieuwe naam heeft gegeven.
Dan kun je moeilijk zeggen: “Het is nog precies hetzelfde huis.” Daarom moeten we bij de kerk niet alleen vragen: “Hoe heet deze kerk?” Maar vooral: “Wie is het Hoofd?”
“Wie is de eigenaar?”
“Welke structuur heeft Christus gegeven?”
“Welke naam gebruikt het Nieuwe Testament?”
“Welke regels en praktijken komen uit het Woord van God?”
“Spreekt men werkelijk als orakels van God (1, of worden menselijke gedachten aan Gods Woord toegevoegd?”
8. Terug naar de brievenbus
De analogie kan uiteindelijk heel eenvoudig worden: Mijn huis heeft mijn naam op de brievenbus, omdat het mijn huis is. Gods gemeente draagt de naam van Christus, omdat zij aan Christus behoort. En wanneer mensen zeggen:
“Wij hebben de gemeente alleen wat aangepast...”
dan moeten we vragen: “Maar wie gaf ons het recht om iets aan het huis van God te veranderen?” Paulus waarschuwt namelijk:
“Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen er ligt, namelijk Jezus Christus.” — 1 Korintiërs 3:11
De gemeente is Gods huis, een pijler en fundament van de waarheid. Daarom moeten wij uiterst zorgvuldig zijn. Niemand mag zomaar iets toevoegen aan wat God heeft gesproken. Wie namens de gemeente spreekt, behoort niet zijn eigen ideeën, tradities of menselijke wijsheid als goddelijke waarheid te verkondigen. Wij moeten spreken als orakels van God: trouw, eerbiedig en zonder iets aan Gods Woord toe te voegen.
De bedoeling is daarom niet om een menselijke kerknaam tegenover een andere menselijke kerknaam te plaatsen. De bedoeling is veel eenvoudiger: Ga terug naar de eigenaar.
Ga terug naar het oorspronkelijke bouwplan.
Ga terug naar Christus.
Ga terug naar Zijn Woord.
Spreek alleen wat God heeft gesproken.
Want als het huis van God is, behoort het uiteindelijk niet aan ons toe om het naar onze eigen smaak te verbouwen of er eigen woorden aan toe te voegen.