top of page
IMG_0033333.png
Peter Vandebuerie
people-2596890_1920.jpg

Waarom zou ik mij verbinden aan een plaatselijke gemeente?

Wat leert het Nieuwe Testament over de plaats van de christen in het lichaam van Christus?

Een jonge christen kan een heel begrijpelijke vraag stellen:

“Ik geloof in Jezus. Ik lees mijn Bijbel. Ik bid. Ik probeer goed te leven. Waarom zou ik mij dan ook nog officieel moeten verbinden aan een plaatselijke gemeente?”

Op het eerste gezicht lijkt dat logisch. Je kunt immers christen zijn zonder een bepaalde kerkelijke instelling belangrijk te vinden.

Maar er zit een fundamentele gedachte achter die vraag die we moeten onderzoeken:

Heeft Jezus Christus bedoeld dat iemand Hem volgt als een zelfstandige gelovige, of heeft Hij Zijn volgelingen samengebracht in een lichaam waarin zij elkaar nodig hebben, dienen, opbouwen en verantwoordelijkheid voor elkaar dragen?

Het Nieuwe Testament geeft daarop een duidelijk antwoord.

1. Christus heeft geen verzameling losse christenen gekocht

De Bijbel spreekt opvallend weinig over het idee van een christen die alleen staat.

Paulus schrijft:

„En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is…” — Efeziërs 1:22-23

De gemeente is dus niet zomaar een vereniging van mensen die toevallig hetzelfde geloven. De gemeente is het lichaam van Christus. Christus is het hoofd en christenen zijn de leden.

Paulus maakt dat nog concreter:

„Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden.” — 1 Korintiërs 12:27

Dat is een belangrijk beeld. Een hand kan niet zeggen:

“Ik geloof wel in het lichaam, maar ik wil geen onderdeel van het lichaam zijn.”

Een oog kan niet zeggen:

“Ik heb Christus lief, maar ik heb de andere lichaamsdelen niet nodig.”

Dat is precies het probleem met het idee: “Ik heb Jezus nodig, maar de gemeente niet.” Volgens Paulus horen die twee bij elkaar.

2. Bij de bekering werden mensen toegevoegd aan een gemeente

Kijk naar Handelingen 2. Petrus predikt Christus. De mensen horen het evangelie, komen tot geloof, bekeren zich en laten zich dopen.

En dan staat er:

„Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.”— Handelingen 2:41

Toegevoegd waaraan? Het volgende vers maakt duidelijk wat er vervolgens gebeurde:

„En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.” — Handelingen 2:42

Dit is belangrijk.

De Bijbelse volgorde is niet: bekering → zelfstandig christen worden → af en toe een dienst bezoeken.

We zien: evangelie → geloof → bekering → belijden → doop → toegevoegd worden → leven als onderdeel van de gemeente.

De eerste christenen werden niet alleen behouden uit de wereld gehaald; zij werden ook samengevoegd tot een gemeenschap van gelovigen.

3. „Ik kan toch gewoon thuis mijn geloof beleven?”

Ja, een christen kan thuis bidden. Een christen kan thuis de Bijbel lezen. Een christen kan thuis nadenken over God.

Maar de vraag is niet:

“Kan ik sommige christelijke dingen alleen doen?”

De echte vraag is:

“Kan ik alles wat Christus van Zijn discipelen vraagt blijven doen zonder verbonden te zijn met andere christenen?”

Daar wordt het moeilijk. Want hoe kun je bijvoorbeeld:

Elkaar liefhebben

„Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt…” — Johannes 13:34

zonder „elkaar”?

Elkaar bemoedigen

„…maar vermaant elkander, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.” — Hebreeën 10:25

Elkaar dienen

„Dient elkander door de liefde.” — Galaten 5:13

Elkaars lasten dragen

„Draagt elkanders lasten…” — Galaten 6:2

Elkaar terechtwijzen

„…maar indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen.” — Matteüs 18:15

Voor elkaar zorgen

Paulus zegt over het lichaam:

„…opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen.” — 1 Korintiërs 12:25

Al deze opdrachten veronderstellen relaties tussen christenen.

4. De gemeente is geen tankstation

Een verkeerde manier om naar de gemeente te kijken is:

“Wat krijg ik hier?”

Goede preek?

Goede muziek?

Leuke mensen?

Interessante activiteiten?

Hulp wanneer ik problemen heb?

Maar het Bijbelse beeld gaat veel verder.

De vraag is niet alleen:

“Wat doet de gemeente voor mij?”

maar ook:

“Wat wil Christus door mij voor anderen doen?”

Efeziërs 4 zegt dat Christus mensen heeft gegeven om de heiligen toe te rusten:

„…om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus.” — Efeziërs 4:12

De gemeente bestaat dus niet uit consumenten.

Iedere christen heeft iets te geven.

Misschien kun je onderwijzen.

Misschien kun je kinderen helpen.

Misschien kun je iemand bezoeken.

Misschien kun je evangeliseren.

Misschien kun je praktisch helpen.

Misschien kun je iemand bemoedigen.

Misschien kun je gewoon trouw aanwezig zijn en iemand laten merken:

“Je staat er niet alleen voor.”

Dat is christendom.

5. Je hebt andere christenen nodig om geestelijk volwassen te worden

Een jonge christen kan denken:

“Ik wil mijn geloof zelf ontwikkelen.”

Maar God heeft ons juist in een gemeenschap geplaatst waarin we elkaar helpen groeien.

Efeziërs 4:15-16 beschrijft Christus als het hoofd en zegt dat het lichaam groeit wanneer de verschillende delen samenwerken.

Het doel is:

„…dat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid…” — Efeziërs 4:13

Let op het woord „wij”.

Geestelijke volwassenheid is niet alleen: “Ik en mijn Bijbel.”

Het is ook: “Wij groeien samen naar Christus.”

6. Een plaatselijke gemeente geeft je iets wat je alleen niet kunt hebben: geestelijke verantwoordelijkheid

Dit is misschien één van de belangrijkste redenen. Wanneer niemand werkelijk betrokken is bij jouw geestelijk leven, kan het gemakkelijk worden om jezelf voor de gek te houden.

Je kunt denken:

“Het gaat eigenlijk wel goed met mij.”

Maar iemand die je goed kent kan zeggen:

“Volgens mij gaat het helemaal niet goed. Je bent veranderd.”

Dat kan confronterend zijn. Maar het kan je redden.

Galaten 6:1 zegt:

„Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid…”

Christelijk leven betekent daarom niet: niemand mag zich met mijn leven bemoeien.

Het betekent: ik geef christenen toestemming om mij te helpen Christus trouw te blijven.

7. Er is ook een ernstig gevaar wanneer je jezelf buiten de gemeente plaatst

Dit wordt soms onderschat. Het grootste gevaar is niet noodzakelijk dat iemand onmiddellijk het geloof verlaat. Het begint vaak veel subtieler.

Eerst:

“Ik ga deze zondag niet.”

Daarna:

“Ik heb niet echt behoefte aan de gemeente.”

Daarna:

“Ik kan thuis ook Bijbel lezen.”

Daarna:

“Ik geloof nog steeds hoor.”

En uiteindelijk:

“Ik weet eigenlijk niet meer waarom ik christen zou zijn.”

Hebreeën waarschuwt juist daarom:

„En laten wij onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen…” — Hebreeën 10:25

Waarom? Omdat christenen elkaar nodig hebben. Het vers staat bovendien midden in een gedeelte over volharding. De samenkomst is dus niet slechts een wekelijkse traditie. Het samenkomen heeft een geestelijke functie.

8. Alleen staan maakt je kwetsbaarder

Een schaap dat alleen van de kudde wegloopt, is kwetsbaarder dan een schaap dat tussen de andere schapen blijft. Dat beeld kunnen we voorzichtig gebruiken voor het christelijke leven.

Petrus waarschuwt:

„Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.” — 1 Petrus 5:8

Waarom zou je jezelf vrijwillig isoleren?

Wanneer je geestelijk zwak wordt, wie merkt het?

Wanneer je verkeerde keuzes maakt, wie spreekt je aan?

Wanneer je twijfelt, wie helpt je?

Wanneer je ontmoedigd bent, wie bemoedigt je?

Wanneer je van God weg begint te lopen, wie trekt je terug?

Een gezonde gemeente kan daarin een enorme bescherming zijn.

9. Maar de gemeente kan je ook corrigeren — en juist dat is een voordeel

Dit is misschien wel één van de moeilijkste onderdelen voor een jonge christen. Een plaatselijke gemeente betekent dat je niet altijd je zin krijgt.

Soms wordt je gecorrigeerd.

Soms moet je iets anders doen dan je zelf had bedacht.

Soms moet je iemand vergeven.

Soms moet je excuses maken.

Soms moet je een ander verdragen.

Soms moet je je trots opzijzetten.

Maar juist daardoor groei je. De Bijbel zegt:

„IJzer scherpt ijzer, zo scherpt de ene mens de ander.” — Spreuken 27:17

Een christen heeft andere christenen nodig die hem scherpen. Niet mensen die altijd zeggen:

“Je hebt gelijk.”

Maar mensen die genoeg van hem houden om te zeggen:

“Volgens mij zit je hier verkeerd. Laten we kijken wat de Bijbel zegt.”

10. De gemeente is bovendien Gods familie

Paulus schrijft:

„Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.” — Efeziërs 2:19

Huisgenoten Gods.

Dat is een prachtig beeld. Als je Christus volgt, krijg je niet alleen een persoonlijke relatie met God. Je krijgt ook een nieuwe geestelijke familie. Daarom noemt het Nieuwe Testament christenen voortdurend: broeders en zusters. Dat is geen religieuze titel. Het beschrijft een echte geestelijke verbondenheid.

11. Waarom specifiek een plaatselijke gemeente van Christus?

Vanuit het standpunt van de gemeente van Christus moet hier een belangrijke nuance worden gemaakt. Het doel is niet:

“Word lid van onze organisatie.”

De vraag moet zijn:

“Waar vind ik een plaatselijke gemeente die Christus als hoofd erkent en zich onderwerpt aan het gezag van Zijn Woord?”

De gemeente hoort niet gebouwd te zijn rondom een menselijke leider, traditie of kerkelijk hoofdkantoor. Christus is het hoofd. Paulus zegt:

„…en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente.” — Kolossenzen 1:18

Daarom hoort de plaatselijke gemeente terug te gaan naar het Nieuwe Testament voor haar leer, aanbidding, organisatie en levenswandel.

12. Het doel van gemeente-zijn is niet alleen aanwezig zijn

Dit is een belangrijk punt. Je kunt iedere zondag op een stoel zitten en toch nooit werkelijk deel worden van het lichaam. De Bijbelse vraag is:

Ben ik betrokken?

Ben ik aan het dienen?

Ben ik aan het leren?

Ben ik aan het bemoedigen?

Ken ik mijn broeders en zusters?

Bid ik voor hen?

Help ik wanneer iemand hulp nodig heeft?

De eerste gemeente was niet een groep mensen die iedere week naar dezelfde bijeenkomst kwam.

„En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk…” — Handelingen 4:32

Dat was een gemeenschap waarin mensen daadwerkelijk voor elkaar zorgden.

13. Er is een gevaar aan de andere kant: lid zijn zonder werkelijk christen te zijn

Dit moet eerlijk worden gezegd. Alleen op een ledenlijst staan maakt iemand niet behouden. Je kunt officieel bij een gemeente horen en toch geestelijk ver van Christus staan. Jezus waarschuwde voor mensen die uiterlijk religieus zijn maar innerlijk niet werkelijk God dienen. Daarom moet het doel niet zijn:

“Ik moet ergens geregistreerd staan.”

Het doel is:

“Ik wil volledig voor Christus leven en daarom ook werkelijk onderdeel zijn van Zijn lichaam.”

Het lidmaatschap moet het gevolg zijn van een echte toewijding aan Christus, niet een vervanging daarvan.

14. De grootste denkfout: „Ik heb de gemeente niet nodig omdat ik sterk genoeg ben”

Dat klinkt misschien volwassen. Maar Paulus zegt juist:

„Het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig…” — 1 Korintiërs 12:21

Dat is een krachtige waarschuwing. “Ik heb niemand nodig” is geen teken van geestelijke kracht. Het kan juist een teken van geestelijke blindheid zijn. Zelfs de sterkste christen heeft anderen nodig.

15. Wat gebeurt er wanneer iedereen denkt: „Ik heb de gemeente niet nodig”?

Stel dat iedere christen zegt:

“Ik kom alleen als ik er zin in heb.”

Dan verdwijnen:

  • de gezamenlijke aanbidding;

  • de onderlinge bemoediging;

  • het onderwijs;

  • het dienen;

  • het evangelisatiewerk;

  • de zorg voor zwakkeren;

  • de verantwoordelijkheid voor elkaar.

Een gemeente kan alleen functioneren wanneer christenen zeggen:

“Ik ben niet alleen verantwoordelijk voor mezelf. Ik ben ook verantwoordelijk voor mijn bijdrage aan het lichaam.”

16. De vraag die een jonge christen zichzelf moet stellen

Niet:

“Wat is het absolute minimum dat ik moet doen om christen te blijven?”

Maar:

“Hoe kan ik Christus het beste dienen?”

Dat verandert alles. Als je Jezus werkelijk liefhebt, wordt de gemeente niet langer een verplichting. Dan wordt het een gelegenheid.

Een gelegenheid om:

  • te groeien;

  • te dienen;

  • vrienden te maken;

  • anderen te helpen;

  • gecorrigeerd te worden;

  • anderen te bemoedigen;

  • het evangelie te verkondigen;

  • samen God te aanbidden;

  • geestelijk volwassen te worden.

De kern in één zin

Je wordt geen christen omdat je lid wordt van een gemeente; je wordt onderdeel van de gemeente omdat je Christus volgt — en Christus heeft Zijn volgelingen samengevoegd tot één lichaam.

Efeziërs 4 vat het prachtig samen:

„één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping: één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen…” — Efeziërs 4:4-6

Daarom is de vraag uiteindelijk niet: “Waarom zou ik lid worden van een plaatselijke gemeente?” Maar:

“Als Christus mij heeft geroepen om onderdeel te zijn van Zijn lichaam, waarom zou ik dan bewust proberen buiten dat lichaam te blijven?”

Dat is de vraag waar iedere jonge christen eerlijk over zou moeten nadenken.

Een eenvoudige conclusie voor een jonge christen

Als Christus je Redder is, laat Hem dan ook je Hoofd zijn.

Als Hij je Hoofd is, wees dan onderdeel van Zijn lichaam.

Als je onderdeel bent van Zijn lichaam, leef dan niet als een losstaand lichaamsdeel.

Zoek een plaatselijke gemeente die trouw wil zijn aan het Nieuwe Testament. Verbind je daaraan. Groei met die gemeente. Dien met die gemeente. Laat je door andere christenen aansporen, corrigeren en bemoedigen. En help anderen om dichter bij Christus te komen.

Want christendom is niet: Jezus + ik.

Het Bijbelse beeld is: Christus + Zijn lichaam + wij als leden van dat lichaam.

bottom of page